toch het oude niet geweest, Charley had opgewekt gesproken, maar zoo was haar aard, het ging bij haar om het gesprek en van den hoorder vroeg ze dan niets dan aandacht en begrip —, vriendschap of genegenheid speelde daar geen hoofdrol in. Ook al weer anders dan bij haar, waar elke vlam gevoed werd uit die eene, diezelfde bron. Ja, Charley was koel geweest —, en zij-zelf eigenlijk ook. Het leek niet naar vroeger, toen ze dartel en teeder, bijna verliefd, naast elkaar zaten of lagen en spraken en plaagden en stoeiden op de rustbank bij het raam. Ze had geen behoefte meer gevoeld aan die teedere aanhaligheid ׳—, ook dat was maar een zwak, kortstondig vlammetje in haar geweest. Of moest ze het nog anders begrijpen?
Ze peinsde —, en haar peinzen vloeide in het vage weg, tot ze niets meer gevoelde of dacht en roerloos zat met gesloten oogen, in de volslagen stilte.
De deur ging open, het drong tot haar door, doch ze bewoog zich niet, deze loome verdooving was zoo zoet, als een voorsmaak van niet-zijn, het eenigè dat nog zwak leefde was het wachten op Charley's stem.
״Charley komt zoo-meteen. Ze zit eraan voor een klein halfuur
Het was Hugo ׳—, Ina veerde op en sprong uit haar stoel met een roode blos, ze was fel wakker en merkte ineens elk ding aan hem op —, dat hij een nieuw soort das droeg, een pak, dat ze niet kende, en zijn haren iets anders dan gewoonlijk gekapt.
Ze begroetten elkaar en Ina voelde, dat hij haar verwarring pijnlijk vond en dat die hem verlegen maakte.
Weer kwam de hardheid in haar op tegen hem, als tevoren tegen Charley — om haar eigen ellendige zwakheid en on-beheerschtheid. Maar hij ging nu rustig zitten en praatte onbevangen.
״Ik heb wat boodschappen gedaan voor Charley — zij had geen lust, ze is liever thuis met dit weer — en nu kom ik van den kapper...ik heb mij mooi laten maken, we gaan vanavond.... ja, je zoudt het niet raden ׳— maar we moeten naar een kinderbal. Charley ziet niets liever en ik mag er ook wel graag eens naar kijken, naar die kleine peuters." Toen wendde hij zich ineens tot haar met een opzettelijke luchtige opgewektheid, waarin duidelijk de bedoeling lag, dat hij ditmaal niet op wegen van ernst gevoerd wilde worden en een herhaling van hun vroeger gesprek vermijden.
.242