stond vast — toch nog over haar toenadering gesproken ?
״Vertel eens wat van je reis, Charley. Je ziet er goed uit, je hebt zeker veel genoten?"
״Vertel eerst eens wat van je zelf," verzocht Charley ״die reis komt straks wel."
״Van mezelf," zei Ina mat en schouderophalend, ze keek Charley aan, ״je zult er al wel genoeg van gehoord hebben."
״Misschien zelfs meer dan jij."
״Hoe bedoel je dat?" vroeg Ina wantrouwig.
״Och,'' zei Charley kort, ״waarvoor moet ik je die praatjes allemaal overbrengen?" Zeging naar Ina toe, nam haar hoofd in de handen en keek haar in de oogen: ״die jongen is niet waard, dat je naar hem kijkt."
Vreemd, de zachte stem, de liefkoozing, ze verteedeiden Ina ditmaal niet —, maar prikkelden en verbitterden haar eerder —, omdat ze immers evengoed als Charley wist, wie Rudolf was, omdat ze geen onnoozel kind was —, omdat ze van Charley niet wilde hooren, met hoe bitter weinig ze zich tevreden moest stellen, omdat ze er door Charley niet aam herinnerd wilde worden, en door Charley vooral niet beklaagd, uit haar eigen ongedeerd en hoogmoedig geluk. Het was alsof een wrok tegen Charley, — die ze dan toch al die maanden heimelijk in zich moest hebben gevoed, maar niet in het licht van haar bewustzijn toegelaten .—, zich nu naar boven woelde en voelbaar en tastbaar werd als een wrang, hard brok, dat ze niet verduwen kon.
Ze schrok ervan en duwde het terug. Neen, dat was het niet maar ze wilde niet dien smaad toelaten op Rudolf, omdat haar die smaad in de keus van haar gevoel beleedigde, ze wilde ook niet altijd en door elkeen als een kind behandeld worden, ze wilde ook niet steeds dat beroep op haar redelijkheid. Ze was beu van redelijkheid —, de heele wereld leefde onredelijk, zij wilde nu ook eens niet anders.
״Je hoeft mij niet te vertellen, dat Rudolf geen licht is,'' zei ze zwak-mokkend, vreemd-voldaan, dat ze nu tegen beter weten in sprak en Charley ergerde, ״maar ik ben er al lang achter, dat het daarin toch ook niet zit." Ze zei het laatste met een soort hatelijken, geprikkelden nadruk, als zinspeelde ze op bepaalde grieven tegen bepaalde personen ofschoon ze in werkelijkheid niets van dien aard bedoelde èn het alleen had gezegd, om schijn van zin aan haar zinledig antwoord te geven. Maar toen ze zag, dat Charley gegriefd de schouders ophaalde, voegde ze er zwakjes maar zachter bij:
״Altijd dat verwijten ook."
.238