de bevestiging van haar vermoeden weer een nieuwe jammerlijke nederlaag zou zijn. En soms ook voelde ze een voldoening, dat hij zich nu óók schadeloos stelde, dat hij zich nu toch in zekeren zin wreekte, dat niet langer alle schuld bij haar lag, dat ze ״quitte" waren —■, het scheen haar redelijker zoo. Doch den meesten tijd leefde ze in doffe, dompe verslagenheid.
Een nieuwe meid deed haar de deur open —, en dat onbekende gezicht, dat met onverschillig wantrouwen naar haar opzag als naar de eerste de beste onbescheiden vreemde, die maar zoo wilde binnendringen en misschien onwelkom kwam, deed Ina als een slecht voorteeken aan. Ze wachtte beklemd, terwijl de meid haar aandienen ging en toen ze zichzelf zag in den spiegel van het enge, kille zijkamertje, waarheen haar de meid had verwezen, bemerkte ze met schrik dat ze doodsbleek was. En tegelijk deed het haar een zeker sentimenteel genoegen, als een reden tot zelfbeklag en een waarborg, dat Charley in geen geval hard tegen haar zou durven wezen. Maar meteen verwenschte ze die laffe gedachte —׳, ze kwam hier toch niet als een bedelaar deernis afdwingen met bleeke wangen en holle oogen!
Charley verscheen in de deur en haalde haar bij de hand de gang door, hiin warmgestookte werkkamer binnen. Ze verontschuldigde zich terwijl voor de onwetendheid van de nieuwe meid, maar toen ze die dicht bij de deur passeerden, zei ze niets dat naar een opdracht leek om haar in 't vervolg zonder aandienen binnen te laten. Liet ze het opzettelijk ? vroeg Ina zich af —, of zag haar ziekelijk wantrouwen overal koelheid en onvriendelijke bedoeling ? Waarom had Charley haar geen kus gegeven, waarom durfde ze vandaag zelf niet de eerste zijn?
Hugo was uit —, maar hij zou over een groot uur komen —, als Ina dus zoolang blijven kon, zou ze hem ook zien. Ina meende uit den toon van dat „als je tenminste zoolang blijven kunt" te moeten begrijpen, dat Charley het niet verwachtte en er niet zoo bijzonder op gesteld was.... en zij, die zich vast had voorgenomen den heelen middag, tot etenstijd toe te blijven...., alles scheen er vandaag op gericht haar tegenover zichzelf klein te maken en te beschamen.
„Heel veel tijd heb ik ook niet," hield ze zich groot en terwijl keek ze Charley vorschend aan. Wat wist ze van haar of had Hugo op hun reis ׳— tevoren niet, dat 237 ׳