״Ik heb er mijn bezwaren tegen — en het kind is er toch," stamelde Ina.
״Maar het kind slaapt immers! Wat heeft dat er nu mee te maken? Dat je niet bij hem op zijn kamer komt, daar kan ik inkomen, want hoe je het huwelijk dan ook opvat, je bent een getrouwde vrouw, maar hier in huis, waar geen haan naar kraait! Of ben je bang voor de meid? Stuur die dan weg met een boodschap. Dan ben je zeker, dat je niet gestoord wordt. En wat er komt, laat je bellen."
Ina dacht na; ze keek met afgewend hoofd het achterraam uit —׳, het sneeuwen had opgehouden, heel van ver kraaide een haan —, wat was er toch in hanengekraai, dat het haar 's winters altijd zoo droefgeestig stemde ? Ook als ze buiten liep en hooi rook langs de verkleumde boerenerven .... dat maakte haar zoo nameloos bedroefd. Het gleed vluchtig langs haar geest, ze moest nu bij het heden en bij het werkelijke toeven —, wat moest Lettie hem antwoorden ?
Ze was ze eigenlijk zoo zat —׳, Lettie en Rudolf en de heele bende, aan wier ongebonden levenslust — wat ze daar voor gehouden had — ze zich in den beginne had gelaafd, ze was dien jongen zoo zat, die niets voor haar was en voor wien zij niets was, in wiens tegenwoordigheid zij bijwijlen dezelfde verwilderde ijlhoofdigheid gevoelde als dien avond bij Lettie's kerstboom, een verdwaasde verbazing, hoe hij en zij ooit konden zijn tezamen gekomen. En hij was nu verliefd op haar en zij kon hem niet genadeloos verstooten —, ze had het immers zelf gewild en opgewekt, hij behoefde het haar niet te verwijten, ze wist het zelf wel. En ondanks alle afspraken en beloften van het begin verweet hij het haar toch.
Waar had ze zich in vastgewerkt —, hoe moest ze er zich weer uitredden? Als ze nu voor het oogenblik maar even alleen kon zijn —׳, dat was alles wat ze wilde.
״Laat Rudolf dan maar komen, vanavond," zei ze mat tot Lettie, ״maar niet al te vroeg" —, ze wist zelf niet, waarom ze dat laatste bedong.
Lettie stond op.
״Dan zal ik mijn baas even telefoneeren. De mannen zien elkaar 's middags meestal in de stad," ze lachte en lei een nadruk op ״de mannen"; het gemeenschappelijk bijbehooren van de mannen bracht haar immers met Ina op één lijn en één peil. Bitter voelde Ina het na, toen Lettie vertrokken was.
En ze dacht aan Egbert, die zoo dikwijls tegenwoordig 's avonds de deur uit ging. Wist ze werkelijk niet, waar hij dan was?
.235