met haar werk —, had hij niet gelijk, was niet dat angstig wachten op een jongen ver beneden haar waardigheid?
Toen was hij gekomen en had zich bovenmate verrast getoond, omdat hij haar nu weer — en zoo toevallig .— ontmoette, nadat ze in de pauze al zoo vriendelijk was geweest bij hem te komen. Ze had hem wantrouwig aangehoord, en in de oogen gekeken ׳—, klonk er niet spot en laaghartige triomf, mannelijke minachting voor de vrouw die openlijk haar voorkeur toont, in die uitbundige woorden ? Maar neen ׳—׳, zijn blik was onbevangen en zijn wangen hadden een blos van trots en ingenomenheid. Hij was zoo levendig en frisch en jong —, zoo meesleepend in zijn smeeken, dat ze nu niet dadelijk van hem weg zou gaan, maar■ ergens, waar het stil was, wat wandelen en wat zitten. Ze was voor de bekoring gezwicht, maar de zoetheid van het zwichten, en zelfs van het nieüwe en ongedachte dat anders zoo machtig op haar inwerken kon, was goeddeels vergald geweest dooide herdenking — die zich tergend aan haar opdrong en die ze niet afschudden kon — aan vroegere wandelingen, aan vroegere opwinding, bekoring, dat ze ook aan zichzelf en de vale wereld als onttogen was geweest, die ze eeuwig had gewaand en die versleten waren. En ook het wantrouwen bleef en kwelde haar tenslotte zoo heftig, dat ze het uitspreken moest, in een vraag, waarvan ze vorm en toon luchtig-schertsend trachtte te doen klinken.
״En wat denk je nu wel van mij.,.., biecht eens eerlijk, dat ik straks bij je kwam en dat ik nu hier alweer met je loop?" Ze gingen door een stille straat, hij antwoordde niet dadelijk, keek rond zich heen, glimlachte, nam haar hand en drukte er een kus op.
״Ik denk alleen van je, dat je een schat bent," fluisterde hij. Ina was verslagen —, een dof en hopeloos gevoel overviel haar, haar beenen werden loom —, het wandelen hier naast hem verloor bekoring en glans. Dit op zichzelf geeste-looze, ondoordachte antwoord, waaruit zoo duidelijk bleek, dat hij haar vraag als een onnoozel behaagziek vrouwelijk praatje —, mogelijk alleen als een begin van een verliefd gesprek had begrepen, was tegelijk beteekenisvol als aanwijzing, hoe hij haar in haar geheele wezen zag, hoe hij zich hun gesprekken en hun verderen omgang onbewust voorstelde. Want dat ze zich na vandaag niet dadelijk van hem zou kunnen en willen losmaken, stond vast, dat voelde ze wel, ze behoefde zich het tegendeel zelfs niet voor te nemen, het zou geen zin hebben gehad. 230