eenige bedoeling in den aanhef of het onderschrift van een brief —'t kwam bij haar uit een toeval van luim of stemming voort —, maar----- er stond ״Charley R." onder en
vroeger altijd „Charley" —, zonder meer. Kinderachtig-klein vond ze van zichzelf, dat angstvallig letten op opschrift en onderteekening van een vluchtig-geschreven briefje. Het was te dwaas —, en toch, die koelheid, die ze had gevoeld, die haar als uit het opengebroken envelop was toegewaaid, nog voordat ze recht had gelezen —, waar zat het in, wat kon het zijn?
Ze wilde Charley's briefje vergelijken met een vroeger en toen ze haastig tastend er een greep uit een doos —, bemerkte ze, dat het juist datgene was, waarin Charley haar schertsend had geplaagd met haar gebrek aan opgewektheid —, en haar gedachten vertoefden even in dien tijd, zooveel vrijer en veiliger dan nu, terwijl ze las; toen lei ze de twee briefjes naast elkaar en vergeleek ze —, haar opgeschrikte onrust speurde verschil in lettervorm, vond een stroeveren zinsbouw, maar het was alles zoo vaag en twijfelachtig, dat ze erin slaagde, het weer van zich af te zetten.
Ze besloot intusschen dienzelfden middag nog naar Charley en haar man te gaan —•, ze zou den jongen dan naar school brengen en kon er om halfdrie wezen. Nu ze eraan dacht, had ze het benauwd-krampige gevoel van examen te moeten doen —, als het voorgevoel toch eens waar was en ze vanmiddag tegenover de verwerkelijking zou staan! Ze had, na hun vertrek, nadat de eerste schok en schrik voorbij waren, zoo vaak aan Charley in zuivere en trouwe genegenheid teruggedacht —, dit vast en stellig te weten was als een eerherstel —׳, en ook Hugo kon ze nu rustig en vriendschappelijk, geloofde ze, weerzien. Als Charley en Hugo dan nu maar zelf nog van haar weten wilden en haar vrienden zijn. Ze waren al bijna een week in de stad —, dat ze niet eerder geschreven hadden, beduidde op zichzelf al verkoeling, bedacht ze met schrik —, en ze moesten van haar en Rudolf gehoord hebben. Iedereen praatte er immers over, lachte erom, wees haar als met den vinger na —, wanneer ze 's middags zat in café's, waar ze vroeger nooit kwam, tusschen lawaaiige jongens en opgedirkte meisjes, in het schel geweld van een orkestje, waarmee ze allen meefloten en zongen. Hij had haar uitgelachen, toen ze zei, dat ze het zitten in die café's verfoeide —, hij geloofde haar eenvoudig niet —, waarom zou hij ook? Ze hadden elkaar bij Lettie leeren kennen, drie dagen later was hij haar een bezoek komen brengen en ze
.227