Het was einde Maart en het sneeuwde. Er waren tevoren al enkele mooie dagen geweest —, en Ina had in voorbarige vreugde haar hart verwarmd aan de lente in het verschiet. Nu had ze bij het ontwaken met doffen schrik gezien, dat het weer sneeuwde, als was het jaargetij teruggezonken, als had de winter zich pas ingezet en zou nu nimmermeer een einde nemen —, zoo genadeloos-gestadig vielen de vlokken en voor het raam bleef Ina er naar kijken, in sprakelooze wanhoop. Ze blikte op naar de lucht, grauw en zwaar boven het fladderen der vlokken, ze trachtte naar boven toe daf fladderen te volgen, één enkele vlok te blijven onderscheiden temidden der anderen, in een gedachtelooZe speelschheid, maar haar blik verloor zich in het gewemel, haar oogen traanden en haar voorhoofd deed pijn. Beneden in de tuintjes stapelde zich gestadig laag op laag tot een zware wollen vacht. Zoo kon het nog uren duren, den geheelen dag, den ganschen nacht door. En kwam er dan al zachter weer, dagen lang nog zou ze de kille, natte, morsige moddersneeuw in de straten, het levenloos blauwblank op de daken moeten zien, eiken lentedroom hoonend en logenstraffend. Ze beefde van afkeer.
Het was nog vroeg in den morgen, de jongen pas een uur naar school, Egbert juist het huis uit, achter haar de kamer in een waterig, vaal schijnsel, de tafel nog half gedekt ׳—, het was niet draaglijk, zoo plat en vaal en armelijk leven leek in dit licht.
Ze sloot de ׳oogen voor het uitzicht buiten en bleef staan, tegen het raam geleund, te moedeloos om iets aan te vatten of te beginnen.
Het dienstmeisje klopte, kwam wit en frisch-blauw door de vaalte der kamer onhoorbaar op haar toe en reikte haar een brief.
Een brief van Charley —, ze waren weer terug ״ ,׳-׳met de sneeuwklokjes meegekomen" schreef Charley, al sinds enkele dagen, bijna een week thuis, en ze vroeg wanneer Ina zich nu weer eens vertoonen kwam. Het waren maar enkele regels —, en toen Ina ze gelezen had, stond ze stil, zacht trillend opgeschrikt, het witte blad in de hand, een vage kilte en teleurstelling in het hart. Was er werkelijk iets koels in het briefje of kwam die plotselinge, onheilvolle indruk voort uit haar eigen rusteloos hart? Nog weer las ze.
״Beste kind —, ja, vroeger was het wel ״lieve kind" geweest, maar dat mocht toch geen werkelijk onderscheid heeten. Charley hechtte er zoo weinig waarde aan, lei nooit
.226