Een coquette vrouw

Titel
Een coquette vrouw

Jaar
1915

Druk
1916

Overig
2ed 1916

Pagina's
262



zacht-hijgend rusten, nadat ze met alle inspanning had meegeholpen bij het joelend neervellen van den boom, ter Kerstviering bestemd —, en die voor haar uit de anderen reeds .—, Otto en een paar jonge neefjes te gast, met den tuinman ׳—, luid lachend en pratend naar huis toe sleepten. Zij was maar even achter gebleven omdat ze moe was en met de handen in de zakken van haar rood-wollen jasje was ze blijven staan, zacht-bevangen in de plotselinge stilte naar de waaiende toppen der boomen starend, naar het dunne ruischen luisterend, stil-ademend in de koudgeurige lucht. Volkomen zuiver en gaaf bracht ze zich nu dat oogenblik te binnen, herleefde het—, het was als voelde ze datzelfde bevangene, vreemd-zoet verbaasde kinderhart van toen levend kloppen in haar borst en het verlangen, dat geen doel kent, als een zacht beklemmen om haar keel. Hoe weinig was er dan toch, sinds-toen, in haar veranderd ...

Het lied was uit — en het visioen verdwenen, er werd plotseling een gordijn neergelaten, waarachter nog maar alleen vage kleuren, ongewisse vormen zichtbaar bleven —׳, kilte woei over haar heen, ze bleef stil liggen, vreugdeloos en smarteloos, vreugde en smart tegen elkaar op wegend tot een niet-zijn —, toen hoorde ze als heel achter in haar hoofd de melodie, die ze gisteren op de piano had aangeslagen en zag de woorden ... Allein . .. allein ... allein..,

En ze dacht aan het Kerstfeest, dat haar vanavond wachtte, waartoe ze zich had laten verlokken —, ze zag de overladen kamer vol van hitte en naakt licht, de grammofoon met zijn tuit als een leelijke, stijve, wanstaltige bloem —, en een kinderlijk zelfbeklag schreide in haar, omdat ze in die wereld verstoeten en daarop aangewezen was.

Nu was elke verdooving weg, het verleden weggebleekt in het licht van den nieuwen dag, die ze opnemen en dragen moest, ze kon het huidig leven niet langer afwijzen, het eischte haar op —, ze wentelde zich klaar wakker op haar mg, ze voelde niets dan een zacht-knagend afgrijzen tegen den dag, tegen den avond, tegen het gansche leven. Egbert sliep nog —׳, ze keek hem juist in het gezicht, zijn snorharen trilden in het ontsnappen van zijn adem — ze dacht aan hun gesprek van gisteren in eenzelfde afgrijzen. Hij had immers weer gelijk — innerlijk moest ze het wel erkennen — dat ze niet bij die menschen paste — o, dat hij toch altijd in dien feitelijken en beperkten zin ״gelijk" had — tegenover het „ongelijk" van haar eigen dwalingen en verbeeldingen — en dat ze het nimmer erkennen kon, het altijd hardnekkig

.220

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.