loochenen, om het hoofd rechtop te kunnen dragen, om niet altijd dien meerderheidstoon te hooren, die hem niet toekwam, dien hij zich maar had aangematigd door een schijn van zekerheid en kracht.
Hoe gaarne had ze hem de leiding van haar leven toevertrouwd, voor al het wereldsche en zakelijke en practische, waartegen zij-zelf niet ׳opgewassen was ׳—, maar het kon niet, omdat hij niet onderscheidde en haar zou krenken in haar hoogheid, haar niet wilde waardeeren en eeren in datgene waarin ze geëerd en gewaardeerd moest en wilde worden.
Tegen donker vroeg ze Egbert wat hij dien avond dacht te doen.
״Ik?" zei hij koel, „laat mij maar gaan. Om mij heb je je nooit zoo hard bekommerd."
„Maar als je nu niet met mij daarheen wilt..."
„Neen —, dank je."
„Nu juist, laat me dan uitspreken —, als je dan niet daarheen wilt <—, ik kan toch niet altijd precies in al mijn doen en laten mij schikken naar jou," haar stem klonk wanhopig, ze vocht met haar tranen.
„Maar mensch, je bent dol —, wie vraagt je dan om iets te schikken ? Je begint er toch zelf over. Of heb ik me beklaagd?"
Weer had hij gelijk! Lusteloos en vol van bittere onvree stond ze naast de tafel, hopend dat hij nog wat zeggen zou —, een woord van verzachting of verontschuldiging, maar toen dat uitbleef, ging ze ijlings heen, voordat de bitterheid zich zoo diep in haar hart vrat, dat ze zelfs geen opgewektheid zou kunnen veinzen.
In het buurhuis vloog haar het vrouwtje, in een glanzend-zijden japonnetje, dat haar eng om de heupen spande en den meelblanken hals boven witte kanten bloot liet, tegemoet.
„Heerlijk, dat je gekomen bent —, ik mag toch wel „je" zeggen —, en „Ina" ? Je weet, ik heet Lettie."
Vreemd, die warme arm van een onbekende, intiem door den haren, die sterke geurwalm, dien ze nimmer geroken had, lauw-prikkelend in haar neus —, ze was zoo weinig voor intimiteit met vreemde vrouwen — alleen met Charley Ruys-senaars had ze zoo geloopen, hoe belachelijk zou Charley het vinden, als ze haar hier kon zien, poeslief met dat poesmooie vrouwtje —, maar ze schaamde zich voor haar schaamte en ze stonden nu ook al in de open deur van de achterkamer —, denken en gevoelen werd onderbroken door schrik: wat was het vol! En de man kwam haar al tegemoet, hoog-
.221