״Hoe bedoel je?" vroeg Ina, te feller vlamvattend, daar ze zich innerlijk zwak voelde, „zijn we er weer te goed voor? Zijn het weer geen menschen voor ons ?"
Hij haalde de schouders op.
„Je moet je eigen vrienden maar kiezen."
„Vrienden! Ze zijn mijn vrienden niet. Er is geen sprake van vriendschap. De heele zaak is deze, dat ik er morgenavond even den kerstboom zou komen kijken —, er wordt misschien vioolgespeeld door een neef van hem, die aan een orkest is. Heb je er iets op tegen?"
„Ik er iets op tegen? Geen haar op mijn hoofd. Als ik maar niet van de partij hoef te wezen. Ik geloof niet, dat ik me daar bijzonder thuis voelen zou."
„Ik dan wel?" vroeg Ina gekrenkt —, en ze voelde zelf hoe onredelijk en onedelmoedig ze was.
„Jij? Ja kijk eens, jij bent een veel beter mensch — jij hebt een edel, menschlievend hart nietwaar? , dat maakt een machtig groot verschil! Jij wordt zoo zoetjes aan rijp voor middernachtzendeling of huisbezoekster van het Heilsleger."
„Er komt geen edelaardigheid bij te pas," zei Ina, tam —, „en ik blijf maar even. Is dat nu zoo erg ?"
„Je schijnt er toch zelf geen erg zuiver geweten in te hebben!"
Hij stond van de tafel op, verwisselde van jas, zette zijn hoed op en ging heen met een korten groet. Onrustig, onvoldaan, ongelukkig bleef ze achter aan de ontredderde tafel •—, als een eindelooze, grauwe baan van doelloosheid zag ze den dag voor zich uit ... .
Toen ze den anderen morgen wakker werd, speelden de muzikanten in de straat het kerstlied van „Stille Nacht, Heilige Nacht" —, en het drong haar, in het wankel schemeruur, in die weekheid na den slaap, als alle poorten nog openstaan, rechtstreeks op den bodem van haar ziel en wekte er oude herinneringen. Ze liet het hoofd op het kussen liggen, hield zich roerloos om de broze bewegingen binnen in zich niet te verstoren en sloot opnieuw de oogen —, ze hoorde het ruischen van ijle dennen hoog boven haar hoofd, rook de wintersche lucht, zag de sneeuwen vachten —, ze stond in den wind en de witte hemel was over haar, ze was negen of tien jaar oud —ze keek met wijd-open oogen rondom zich heen, als was ze zelf verbaasd van alles dat ze gevoelde, dat haar van rondom bestormde, in dat eene oogenblik van
.219