״En artisten zijn boven vooroordeelen verheven," vulde dë man aan —, maar Ina voelde dat ze haar de waarheid verborgen : dat ze haar hadden durven vragen om de manier, waarop over haar gesproken werd en die hun een waarborg scheen, dat ze het wel niet zoo nauw zou nemen —, terwijl ze toch de getrouwde vrouw van goede familie, met een bekenden naam, was en bleef en er dus nog alle reden was, haar omgang te zoeken en te begeeren. Ze had wel kunnen schreien, zoo vernederd en verward als ze zich voelde ׳—, en ze mocht niets laten blijken, maar kopjes thee drinken en lieve praatjes maken in dit hatelijke schelle licht.
„U moet Lettie zoo nu en dan eens komen opzoeken en wat met haar praten," zei de man, die nu toch Ina's verlegenheid wel had bemerkt, „ze heeft zoo heelemaal niemand hier." En schertsend voegde hij er achter, „u zult stellig dikke vriendinnen worden, dat weet ik zeker —, allebei jong —, en geen van beiden een bagijntje!"
„Ja ׳—, u moet me wèl eens gauw komen opzoeken, met dien lieven, kleinen jongen van u. Of 's morgens ik kan wat heerlijke koffie zetten, nietwaar vent? En dan moesten we elkaar bij den naam noemen —, niet altijd dat stijve „mevrouw". Ik ben niet eens een „echte", lachte ze kleintjes en bedrukt en plotseling braken in Ina haar deernis en edelmoedigheid door onwil en gekrenktheid heen —, ze voelde een plotselinge opwelling dat nederig-afwachtende vrouwtje gelukkig te maken met haar vriendschap, zich niet van haar af te wenden naar een wereld, naar menschen, zelfzuchtig en hardvochtig, die haar-zelf immers ook verstoeten hadden —, eerder wilde ze nu die wereld tarten, door openlijk haar moraal te verloochenen.
„Ik wil heel graag nog eens terugkomen," zei ze hartelijk.
De man klapte zacht in de handen. „Bravo!"
„Gauw ?"
„Overmorgen dan, bij den Kerstboom? Er komt misschien een neef van mijn man, die heel mooi vioolspeelt. U moet komen —, u moet het meteen beloven."
De kinderlijk-dwingende toon prikkelde Ina licht —, ze voelde zich overrompeld , de verwerkelijking van haar voornemens van zooeven werd haar al te plomp opgedrongen, maar ze kon niet goed weigeren. Ze beloofde dat ze zou komen en ging met haar jongen naar huis, waar ze Egbert vond. En ineens bedacht ze, dat geen der beiden van hem had durven reppen —, en voelde, dat ze nooit moeite zouden
.217