״weerskanten het goede en zoete roofde en niets dan twijfel en bitterheid overliet — en zelfbeklag, dat haar ten gronde zou richten.
De klok sloeg vier uur. Ina schrok op en droogde de oogen —, ze moest nu gaan. Ze had beloofd dat ze komen zou en ze wilde ook wel weer wezen, daar waar licht en warmte was. Het vrouwtje had zóó op haar komen aangedrongen —, het scheen een eenvoudig wezentje —, ze vond waarschijnlijk haar schrijfsterschap héél gewichtig.
Er werd iets warm in haar, terwijl ze hoed en mantel aandeed, iets van verwachting en verlangen naar vriendelijkheid en bewondering, dat haar bewegingen vlugger maakte—, maar toen dacht ze aan het onnoozel-mooie, bol-bleeke gezichtje van het buurvrouwtje en haar mond vertrok —, ze voelde zoo het kale en armzalige van haar verwachting.
Ze trok haar huisdeur toe en schelde aan bij de buren. Het was er helder licht en warm in de gang, als werd zelfs daar gestookt.—, uit de open kamerdeur, waar haar de jongen hoogrood tegemoet sprong —, stroomde hitte en bloemengeur. En het blonde vrouwtje begroette haar met een vriendelijk, bijna onderworpen en als schuldig lachje — als had ze haar wat misdaan .—, de gedachte beroerde vluchtig Ina's geest, maar ze dacht er verder niet over na —, de lange, forsche man, die bij de kachel had gestaan, keerde zich naar haar om, noemde zijn naam en zij, omdat het vrouwtje er zwijgend en verlegen lachend bij bleef staan, was genoodzaakt haar eigen naam te noemen. Hij leek werkelijk ook al verlegen —, er was een pijnlijke' stijfheid, als moest er een verklaring of uiteenzetting volgen •—, terwijl ze zitten gingen. De kinderen fluisterden in een hoek bij poppen in een wagen en het vrouwtje deed een opgewonden relaas van wat ze allemaal hadden gespeeld en gezegd, waarin ze telkens haar man trachtte te betrekken, als om een ontstemming in hem te overwinnen. Terwijl keek Ina de kamer rond. Die was overvol met meubels, welke niet bijeenhoorden en waarvan ook geen enkel stuk afzonderlijk eenig karakter had —, een uitheem-sche overlading van kleedjes en portières en draperiëen, de wanden beprikt en behangen met foto's, in allerlei formaten en grootten, tot sterren en waaaiers bijeengegroept als op een kinderkamer en die blijkbaar allemaal acteurs en actrices en zangers en musici — met glazigen blik en vooruitgestoken borst, verleidelijken glimlach en met violen in zwierige houdingen voorstelden —, er hing een groote spiegel in vergulde lijst, gedrapeerd met een lap van rood met goud, doorweven —,
.215