glommen —, ze keek even naar buiten, het leven leek zoo laaggezonken en zoo wonderlijk veelbelovend tegelijkertijd <—, toen sloeg ze staande het motief aan en nog eens .—, en nog eens weer, als om zich aan die smartelijke heerlijkheid te verzadigen. Haar leden beefden sterk, als van storm bewogen —, erbarmelijker dan ooit werd ze zich haar machteloosheid bewust —, en hoe ieder ding te klein, te zwak, ontoereikend in haar was. En weer vroeg ze zich wanhopig af—, waarom ze dan niet had mogen rustig behooren tot die millioenen onbewusten in wie geen andere wenschen huizen, dan die waarvan het leven de vervulling belooft —, die niet als in den nacht uit hun slaap worden gewekt om het onbereikbare na te jagen, naar het ontastbare te tasten, tot hun oogen den slaap niet meer vinden kunnen —, was ze toch maar klein en vredig geweest, nu ze niet groot en gelaten mocht zijn. O, dat halve, dat wankele, dat onzekere, dat dobberen tusschen lust en plicht, tusschen neiging en geweten. Charley had gezegd: ze was in haar groei, en niet zij alleen, velen met haar, omdat deze tijd er een scheen van groei en overgang .—■, maar Hugo had haar weersproken : zóó was elke tijd geweest voor enkelen, die zich in de oude zeden niet meer gebonden voelden en aan eën nieuwe nog niet toe waren, voor allen, die het oude huis, waar het hun te eng en te domp werd, verlaten hadden, en voor wie nog geen nieuw gereed was —, daklooze zwervers, zonder steun of veiligheid van een vastgesteld gemeenschappelijk verband, op het eigen wisselende, vervloeiende ״zelf" aangewezen en zich van dien onvasten toestand bang en pijnlijk bewust.
Ze was naar het raam gegaan en staarde naar buiten. Nu zweeg beneden de piano —, zeker speelden de kinderen een ander spel —, maar van uit de verte kwamen eentonige, gebroken klanken, dof door de mist, zwak in het vallen van den avond en vervulden haar met een eindelooze droefgeestigheid als een bitter-zoeten smaak. En ze dacht aan wat ze met Charley had besproken van haar huwelijk —, hoe ze ook daarin de oude zede naar den geest was ontgroeid —, en hoe die haar tegelijk nog hield gevangen, als omketend bij de beenen —, zoodat „trouw" nu geen waarde meer had voor haar geweten en „ontrouw" geen geluk voor haar hart beloofde, zoodat ze zich niet laven kon aan het besef dat ze althans haar plicht had gedaan — omdat ze die plichtniet erkende ׳—, evenmin haar banden breken en haar vrijheid nemen. O, die ellendige tweeslachtigheid, die aan
.214