nogal gepraat. Nu, ik moet weg, hoor!" Ze had zich gedurende de laatste, haastige woorden al half van Ina afgewend, blijkbaar verlangend haar vriendin, die al verder zich verwijderde, achterop te loopeg —, nu knikte ze, zonder Ina zelfs de hand te geven en liep haastig door.
Even stond Ina wezenloos —, het hoofd vol bange gedachten —, toen liep ze langzaam verder —, zich afvragend waarom het kind, dat haar toen bewonderde, haar nu zelfs niet meer wilde kennen. Of had ze haar werkelijk niet herkend? Ze klampte zich aan die onmogelijke veronderstelling vast, om zich niet al te zeer vernederd te gevoelen. Maar dat Geerte vreemd en kil deed, als bestonden ze elkaar niet —, dat viel niet te ontkennen. Een koude beklemming —• bijna een voorgevoel — viél haar op het hart —; thuis zat Egbert te lezen en keek nauwelijks op bij haar binnenkomen.
Den volgenden dag in den namiddag zat Ina voor het raam te lezen. Het was twee dagen voor Kerstmis, een nevelige, vale winterdag, volslagen stil, geen vogel floot meer in den kalen tuin —, de boomen stonden er roerloos in de stilte. Uit het huis naast het hare klonk een piano —, telkens maar even, en dan, gedempter, zingen en kindergelach. Daar, bij de nieuwe buren, speelde haar zoontje met een klein meisje van zijn leeftijd en de moeder van het kind droeg aan de piano een muizengeschiedenis voor —, Ina had het dadelijk herkend en nu ze even luisteren bleef en precies wist, waar de kinderen lachen zouden om iets heel grappigs, was het alsof ze de gezichtjes voor zich zag — het roode mondje en de glansobgen van haar zoontje en de bolle, bleeke koontjes, de glinsterende blonde krullen van zijn nieuw vriendinnetje. Het kind leek op de moeder, den vader kende ze niet, de menschen woonden er pas. Het vrouwtje heette vroeger zangeres of danseres te zijn geweest bij een operettetroep en veel te hebben gereisd, het rechte wist ze niet. De laatste dagen was haar zoontje voortdurend met lekkers en kleine geschenkjes thuisgekomen en eindelijk was de uitnoodiging voor vandaag gevolgd.
Had ze eigenlijk niet moeten bedanken, daar ze de menschen toch niet kende? Ze had er den moed niet toe gehad —, het vrouwtje had haar juist gisteren zoo vriendelijk-onder-worpen toegeknikt, ze had lieve blauwe oogen, leek niet eens zoo heel veel ouder dan het dochtertje. Voor Egbert 212