״Weet u, wie ook dood is? Juist kort geleden gestorven ? Die oude teekenmeester van de stadsteekenschool."
„Die —, dat mannetje van een prentje —, met zijn stijve beentjes ? Die is zeker minstens honderd geworden —, en we dachten, in ons hart, allemaal stellig dat hij het eeuwige leven had. Dus toch blijkbaar niet. En wie zal na hem komen ?"
„Niemand .׳—, want de stadsteekenschool wordt opgeheven —, o, er is bar veel over te doen geweest in den raad <—, iedereen stak er zijn neus in ׳—, maar de meerderheid vond het een „verouderd instituut".־ Het gebouw gaat nu tegen den grond — de grond is zooveel waard, ziet u, daar in die buurt en de gemeente gaat het verkoopen. O, ze doen heel druk aan grondpolitiek tegenwoordig bij ons. Die krotten achter de molen, waar de schilders altijd zaten, weet u wel 1 Die gaan er nu ook aan!"
„Dat is heel jammer! Maar van die schilders weet ik nog goed. Ik herinner me een snoezig jong, ik geloof Amerikaansch meisje, jaren en jaren geleden, dat allerliefst voor mij was en mij eens zoute geparfumeerde witte drop liet snoepen —, nu ik het zeg, is het precies alsof ik dat bruine gezichtje met de blauwe oogen en de prachtige witte tanden weer voor mij zie en den geur proef van die drop."
„li moest nog eens komen kijken —, u zoudt nog wel meer veranderingen vinden."
„Ik kom er niet meer toe ׳—, met mijn werk en mijn gezin, en ik heb er niemand dan mijn zuster die bij vreemden inwoont en die ik af en toe hier ontmoet.''
„U zou bij ons kunnen logeeren," zei de jongen met een kleur van verlegenheid, „moeder zou het heel prettig vinden, dat weet ik wel zeker. Ze herinnert zich u nog heel goed als kind — ik was er toen nog niet eens, geloof ik, en ze houdt zoo veel van uw werk. Ze zegt dat ze de personen uit uw eerste verhalen herkennen kon —, en dat ze altijd erin voelt, hoe veel u van ons stadje houdt. Dat doet ze zelf ook, ziet u, ze is er geboren en haar vader ook en haar grootvader ook en het hindert haar altijd, als de menschen het er doodsch en saai vinden, dus daarom....."
„Ina," zei Annie plotseling, met een kil, scherp lachje —, „ik dacht dat je gekomen was om Otto wat op te beuren. Dat schijn je heelemaal te hebben vergeten."
Ina schrok op —׳, ze voelde dat ze donkerrood werd —, Josefine's oogen knipperden van angst en zenuwachtigheid —, de jongen zweeg en keek verlegen van de een naar de ander ׳—, het zusje loerde naar haar met een klein sarrend lachje.
14. C. V.
.209