goedig, bleu moederszoontje, dat rose kieltjes droeg —, wist ze weer ineens, en nu ze hem zag, was het als liep ze weer in de straat vol gemoedelijke ochtenddrukte onder de lindeboomen en zag de zon op de geveltoppen en hoorde het ratelen der gele karren ׳— het was marktdag — en rook koeklucht uit een open winkel, walm van verschaald bier uit het kille keldergat van een pakhuis en voelde den luwen wind over haar wangen gaan <—, alles tezamen in één vluchtige herinnering.
״Herkent u mij ook nog, mijnheer Van Wijk — want dat moet ik nu toch zeggen, niet ?" ׳— vroeg ze vroolijk de oogen opslaand naar zijn verlegen blozend gezicht... hij was toch langer dan zij... en bij haar blijven staan, onhandig, na het voorstellen.
„Ik herkende u dadelijk —, u bent heel weinig veranderd. Maar u hoeft werkelijk niet „mijnheer" te zeggen tegen mij, ik vind het Veel prettiger als u maar Gerard zegt, net als vroeger."
„Vroeger!" zei Ina — „vroeger is heel lang geleden. Ik ben in jaren niet ginds geweest. Is er veel veranderd ?"
„Laat mij eens denken," hij kneep de oogen wat dicht en tuurde voor zich uit tusschen de witte wimpers door, „ik moet er even bij gaan zitten, als ik mag." Hij zette zich op een stoel vlak bij Ina ׳—, Annie met een kleur en een strak gezicht, wenkte driftig het zusje, dat onbeholpen achteraf was blijven zitten, naderbij, tusschen haar-zelf en Josefine —, zoo zaten ze in een kring, maar Ina en de jongen wat afgezonderd.
„tl weet natuurlijk dat verleden jaar „De Kieviet" afgebrand is, die groote weverij achter het kanaal ?" zei hij, snel, blij dat hij zoo iets gewichtigs kon vertellen.
„Neen, dat weet ik niet," lachte Ina, vermaakt door zijn ijver.
„En de Venen zijn aangeplempt en bijna volgebouwd met huizen en villa's."
„Jammer! Een van de mooiste plekjes uit de omgeving verloren. Wat hebben we daar een prachtige moeras-vergeet-me-nieten vandaan gehaald! En je vond er allerlei vogelnesten, en we gingen er pic-nicken en deden er allerlei spelletjes. Dan waren wij, meisjes, gevangen prinsessen en de jongens waren ridders en die moesten ons schaken."
„Er zat zooveel snoek —, weet u wel?"
„Nee," lachte Ina — „daar heb ik nu weer geen ervaring van."
.208