״Ja —, want je kunt je toch ook in zijn groei, in zijn toekomst verheugen —, daarin is dan niets dierlijks en zinnelijks."
״Hoe kun je het zeggen!" riep Ina, „hoe kunnen ze het * elkaar toch allemaal napraten! Waarom zou ik mij dan zoo bijzonder in zijn toekomst verheugen —, hoe kan ik hopen, dat hij gelukkig wordt, nu ik mijzelf en mijn eigen leven ken ? Of moet ik wenschen, dat hij wordt als Egbert ? Is dat van mij te verwachten dat mijn leven vervuld zou zijn van geluk, door de hoop, dat mijn zoon eenmaal een braaf en gematigd lid van een brave en gematigde maatschappij zal worden ? En in 't andere geval staat hij in het verdomboekje, net zoo goed als ik. Is dat dan zoon vroolijk vooruitzicht?''
„Ben je werkelijk zoo ongelukkig, Ina?" vroeg Josefine wanhopig.
„Niet altijd, ik heb nog wel iets van mijn ouden levenslust. Maar het is al erg genoeg, dat ik niet gelukkig ben."
„Andere vrouwen hebben ook wenschen en verlangens," waagde Josefine schuchter, den draad van het gesprek weer opnemend.
„Vrouwenkiesrecht," hoonde Ina „verbeterde vrouwen-kleeding" —, maar ze voelde dat ze Josefine pijn deed; „ik wil er werkelijk geen kwaad van zeggen, het is heel nuttig en sympathiek en alles wat je maar wilt en je hoeft niet eens te erkennen, dat er heel veel vrouwen aan „doen" door een akelig soort van ambitie, omdat het immers voor massa's vrouwen de eenige kans, zich met een bitter klein beetje geest en talent te onderscheiden en iets meer dan haar mans vrouw te zijn —, en ik beweer ook heelemaal niet dat ik er daarom niet aan „doe" — ofschoon al die uitgestreken voortreffelijkheid al bijzonder slecht op mijn zenuwen werkt ik beweer eenvoudig, dat het mij niet aantrekt, dat ik er mij niet warm voor kan maken, dat ik er misschien te ouderwetsch voor ben —, ik voel me op een vergadering van vrouwenkiesrecht-dames precies even goed thuis als ik mij in een krijgsraad van Hottentotten zou voelen."
„O, Ina!" zei Josefine met een kleur van pijnlijke verontwaardiging.
Ina lachte even.
„Dat van die Hottentotten bedoel ik niet onvriendelijk. Ik had ook kunnen zeggen: als op een theekransje van Hare Majesteit de Koningin —, in 't algemeen iets „anders" niet iets „minders". Iedereen drijft op het laatst naar dat, waartoe hij door aard en bestemming behoort en wordt af-
.203