kon zich toch niét beletten aan Mary, aan Goba, aan Annie té denken, wat die zeggen zouden, als ze dit ook weer van haar wisten —, en hun verachting bij voorbaat tegen zichzelf te keeren in wrevel en schaamte.
De Kerstvacantie was begonnen —, haar jongen had vrijaf van school en ze zat op een morgen bij hem te knippen en te plakken, haar best doend om niet al te onhandig te schijnen, vol verrukte aandacht voor zijn ingespannen gezichtje en bezige handjes, toen Josefine binnenkwam.
״Hoe kom jij hier ?" vroeg Ina blij, „logeer je weer bij Annie en Otto ?" Een stroom van warmte voer haar door de leden, bij den origedachten aanblik van de zachte, lang-zaam-aan vervallende zuster, een der weinigen, die haar nog genegen was.
„Logeeren eigenlijk niet," zei Josefine, nadat ze den kleinen jongen gegroet en gekust had, „ik ben er maar voor een paar dagen. Otto is ziek geweest, nogal ernstig, maar hij is nu herstellend."
„Is Otto ziek ? En dat wist ik niet eens ? Dat heeft Annie mij niet eens laten weten!"
,;Had je dan niet wat met elkaar gehad, verleden jaar?" vroeg Josefine weifelend.
„Omdat zij mij beleedigd heeft —, zou ze nu nog... ? Neen, dat kan niet, daar steekt wat anders achter, nieuwe praatjes en stokerijen. Dat van toen is bijgelegd, ik weet het zeker, we hebben er daarna nog samen gegeten, Egbert en ik."
„Je ziet er niet al te best uit" —, het klonk als zooeven tastend en weifelend.
„Ik ben ook niet „al te best", antwoordde ze bitter en ontstemd.
„Wat heb je dan? Voel je je ziek?"
„Precies als Egbert! „Je eet niet genoeg."
Nog scherper en geprikkelder dan te voren klonk haar stem —, maar toen ze Josefine onthutst en verslagen voor zich zag kijken, zei ze, in een plotselinge behoefte zacht en vertrouwelijk, niet dadelijk weer vijandig en op verweer gespitst te wezen:
„Ik voel me niet gelukkig —, en zoo doodelijk down den laatsten tijd."
Josefine antwoordde niet .—, ze wenkte waarschuwend naar het kind.
„Ik ga met je mee," zei Ina plotseling met een kleur oprijzend, „ik ga meteen met je mee naar Otto. Daar kwam je immers voor, om mij dat te vragen?"
.201