״Ja beste meid —, wat dacht je nu eigenlijk? Dat jij maar ׳ altijd je gang kon gaan, doen waar je lust in hebt, komen en gaan wanneer je wilt, vrij zijn als een vogeltje in de lucht en dan mij aan een touwtje houden? Dat is nu precies dat meten met twee maten, waar jij altijd zoo op tegen hebt."
Ze zweeg.
״Hij heeft gelijk," dacht ze, ״hij heeft altijd gelijk —, in alles, dat feitelijk en nuchter is, heeft hij gelijk. Waarom zou hij thuisblijven voor mij ? Ik heb geen recht meer hem iets te vragen."
״Ga jij dan toch óók — je bent tegen jezelf. Wat afleiding en verstrooiing zou je goed doen."
״Neen —, liever niet, ik ben te slap," ze bemerkte tot haar ergernis, dat iets in haar stem zijn medelijden wilde inroepen, ze was ook zoo week en zoo moe zonder reden braken haar de tranen uit de oogen. Verschrikt keek het kind naar haar op.
״Toe, hou je wat in, alsjeblieft. Je maakt den jongen van streek met je zenuwbuien."
Beschaamd veegde ze haar tranen weg —, en dwong zich tot opgewekt praten met het kind. Zoodra het naar bed was, ging Egbert uit, na nog een laatsten raad aan haar om toch ook niet thuis te blijven —, en vooral wat te eten. Ze had weer veel te weinig aan tafel genomen. Ze zweeg, om niet weer met haar stem zijn deernis in te roepen en knikte een zwijgend ״ja" op alles wat hij zei —, maar den heelen avond zat ze werkeloos en willoos te suffen en in de lamp te kijken. Toen het elf uur sloeg ging ze naar bed —, Egbert was nog niet thuis — en viel doodvermoeid onmiddellijk in zwaren slaap. Maar na een half uur sloeg ze wakker met een schrik en zag naast zich het leege, koude bed: hij was er nog niet —, en ze wist niet, waar hij was! Angst en wanhoop maakten zich van haar meester, en ze bestreed ze heftig —, ze wilde niet langer om hem angstig en wanhopig zijn —, het was haar onverschillig, waar hij was en wat hij deed —, ze was niet als een klein kind, bang in donker en veilig alleen in zijn bijzijn. Ze wildeniet de slaaf blijven van een laf gevoel, dat haar geest tot oneer strekte en haar groei en vrijheid in den weg stond. Maar dit alles kon niet beletten, dat het haar onmogelijk was opnieuw in te slapen en dat ze met kloppend hart en wijde starende oogen in stilte en donker wakker lag, tot ze eindelijk de sleutel in, het slot hoorde steken en een zucht van ontspanning haar borst ontsnapte. Maar toen hij boven kwam, hield ze zich vast-slapende.
.199