Ze duwde den hinder om zijn kleurlooze, geringschattende vriendelijkheid, die elke stemming, elk bezwaar voorbijzag en negeerde, van zich af en liep naar beneden, waar warmte was en licht brandde en voelde haar lichaam doorstroomd van ontspanning en zachte dankbaarheid, terwijl ze het kind in haar armen oppakte.
Ze had ook zoo graag Egbert, die er lachend bij stond, een kus gegeven, maar haar geest bedwong die lafheid van haar gemoed. Ze mocht het niet langer — om haar zelfbehoud mocht ze het niet, al smachtte ze naar warmte en hartelijkheid. Er lag te veel tusschen —, hij zou het niet begrijpen, hij zou iedere uiting van verteedering beschouwen als de erkenning van haar minderheid, en van de waardeloosheid harer klachten en wenschen. Ze wilde, ze mocht niet langer in zijn oog een kind met grillen, een ״hysterisch vrouwspersoon" wezen. Hoevelen al had ze er hem koel-smadelijk zóó hooren noemen! Om haar eigen hoogheid mocht hij haar nu niet meer zwak zien, te vaak al was ze, moe van strijd en twijfel, als een verdoold en verlaten kind tot hem gekomen. Hij onderscheidde immers niet, hij was immers nog niet tot het besef gekomen, dat kwetsbaarheid van het gevoel niet op geestelijke onmacht en onvermogen wijst —, eerder op het tegendeel! En tot dat besef zou hij wel nimmer komen. Voor hem was ״kracht" onvatbaarheid en onverschilligheid — ״menschenkennis" het platte wantrouwen, dat ״de kat uit den boom kijkt" en ״verstand" het koppig vasthouden aan ״meeningen", waarvan hijzelf de herkomst niet wist, noch of ze wel werkelijk zijn eigendom waren.
En toch, ditmaal — nadat ze zichzelf in stilte al deze dingen nog voorgehouden had, om haar hart tegen hem te pantseren ■— nu ze weer aan tafel zaten, met het blij-ver-tellende kind tusschen zich in, nu was het haar weer, als moest ze dit alles maar weer van zich af laten vallen en vergeten, als moest ze alle overtuiging, allen wensch en wil laten varen voor het behoud van die eene vaste, veilige plek op de wereld, waar de haard brandde, en de lamp licht gaf, waar ze elk ding kende op zijn eigen plaats, waar hij was met het kind —, zijn gezicht, dat ze kende van zoolang al, met den aanblik waarvan haar heele leven, haar stoutmoedig en hoopvol verleden was verweven.
״Moet je in alle geval vanavond uit, Egbert?"
״Dat heb ik toch al gezegd, nietwaar?"
״Zeker —, maar ik dacht, dat je misschien —, nu ik óók thuis blijf..,."
.198