de beslagen ruiten naar de ijle, grijze wolken keek en naar de zwak-zwiepende boomen, liet ze de poorten van haar ziel wijd opengaan voor die eene, zalige, gedroomde mogelijkheid, dat ze Hugo, den zachten, sterken man, met Charley had mogen deelen —, dat hij ook haar had gekust en dat ze dan de zoetheid van wat liefde kan zijn, in geest en zinnen tezamen, zou hebben ervaren. Dit van haar eigen bestaan was zoo dor en nuchter en schamel geweest. En nu zij eraan dacht was het als begonnen overal klokken te luiden, als geurden overal zoete bloemen en blonken hemelen blauw en vlieten zilver. Ze herinnerde zich een guren dag van vele jaren geleden, toen ze aan het raam van haar eenzame slaapkamer had gestaan en den bleeken schooljongen gezien met zijn hunkerenden blik. Toen ook leek het leven nieuwe glorie te ontleenen, koude en guurheid onschadelijk te worden in de zekerheid van zijn vereering —, en zóó was het altijd geweest, altijd dezelfde roepstem had ze gehoord, onweerstaanbaar dringend en lokkend, leven belovend en kracht en lust en onsterfelijkheid. Eeuwigheids-heimwee —, had Hugo gezegd —, dat in den eeuwigheids-afglans van liefde stilling zocht —, en zoo moest het zijn, daar immers alle boven het tijdelijke en persoonlijke uitreikende wenschen langs dien bedauwden baan van glimlach en zachte tranen bereikbaar schenen. Maar zij had alleen teleurstelling geoogst, en dwaling en leed en weerzin en smaad, zoovaak ze die roepstem gehoor had gegeven, en zoovaak ze, om de menschen te winnen en tot haar eigen eerherstel, afkeerig van zooveel wisseling en vergankelijkheid, de ooren voor die stem had gestópt —•, zoovaak was de moeizame wanhoop, het matte doodsverlangen, een vleugellam smachten naar verheffing en kracht haar deel geweest.
Zou ze nu opstaan en naar beneden gaan of stil maar blijven liggen wachten —, ze werd een zacht verlangen naar Egberts bijzijn, naar warmte en licht in zich gewaar —, maar de moed ontbrak haar, en de kracht, zich te verroeren.
Daar plotseling hoorde ze de deur opengaan en de blijde, hakkelende stappen van haar jongen de trap op en zijn opgewonden stemmetje, telkens een paar woorden, die zij niet verstond, afgebroken door het hooge toeteren op een trompetje dat hij meegebracht had. Een glimlach trok over haar gezicht, ze sprong op, en nóg voor ze de kamer uit was, hoorde ze Egberts stem: ״Moeder, kom toch gauw beneden, kom toch gauw zien wat onze vent voor moois heeft meegebracht."
.197