׳—, en straks zou hij doen, als was er ״niets gebeurd". En zij zou — het was al in aantocht — weer, als zoovele malen tevoren, aan zichzelf twijfelen en zich afvragen of haar opstuiven van straks niet inderdaad belachelijk en overdreven was, of niet alles wat ze deed, belachelijk en overdreven was. Ze zou, terwijl ze werkte, zich bangelijk afvragen of haar werk wel eenige waarde had — omdat toch zijn koele afzijdigheid niet anders kon beteekenen dan dat hij het vrijwel waardeloos vond — en was het eenmaal voltooid, dan zou ze er geen fierheid meer over voelen, er geen lust meer aan hebben, er niet over durven spreken, uit vrees van zelfoverschatting te worden beschuldigd, uit vrees voor zijn laatdunkende, op het allerbest karig en hooghartig waar-deerende woorden. En daarvan was zij de dupe geweest, en het nog niet geheel ontwassen ׳—, en dat had ze jarenlang voor grootheid en hoogheid gehouden; zijn kouden, zelfgenoegzamen onwil om te bewonderen, hartelijk te waardeeren, zich warm te maken in geestdrift, zijn eeuwige gesmaal en gesmaad, zijn schamperen spot, die geen ding heilig hield, waarvoor niets te hoog en te groot en te goed werd geacht —׳, en daarin had ze hem willen volgen, daarmee had hij ook haar geest bedorven en vergiftigd, zoodat haar nu ook voor vele dingen aandacht en geduld ontbraken en ze zich, tegen beter weten in, altijd nog heimelijk liet beïnvloeden door een oordeel, dat ze ongegrond en ondoordacht wist.
Voor de wereld was ze een voorwerp van verachting, bespotting, hoogmoedig medelijden op het best, omdat ze niet tevreden was geweest met man-en-kind. Er bestonden mannen genoeg, er hadden er genoeg bestaan, wier histories met angstvalligen eerbied nagegaan en opgeteekend werden —, die niet tevreden waren geweest met vrouw-en-kind. Elkeen vond het natuurlijk, maar nu ze een vrouw was, gold geen verschooning, was ze belachelijk en Verachtelijk, vogelvrij verklaard, een wezen, waar de mannen mee spotten en dat ze aanduiden met geringschattende namen —, en waar de vrouwen, de deugdzame moeders en huismoeders, voor uit den weg gaan. Charley had gezegd, het heele vertoon van deugdzamen afschuw beduidde niets dan angst, daarmee wilden ze de al te gevaarlijke ״zusteren" onschadelijk maken, wetend hoe zwaar de algemeene verachting weegt, hoe weinigen daartégen opgewassen waren en zijn, maar de mannen —, wat beteekende hun geringschatting dan? Was het misschien de oude onnoozele verblinding voor alles wat de vrouw betrof, die hen een stom en koud idool deed aanbidden en haar,
.195