—, nu voelde ze spijt om wat ze dien middag nog bezeten en toen vergooid had —׳, zijn warme, hartelijke belangstelling. Nooit zou hij nu weer dezelfde zijn —, ze was hem tegengevallen, ze had zich minder getoond dan hij haar had gedacht. En tegenover Charley —, was ze dan niet beter dan een Judas —, zou ze haar belogen hebben voor de kussen van haar man, als hij maar de hand naar haar had uitgestoken ? Hoe voelde ze nu in haar hart voor Charley ? Het was heden niet de eerste maal, dat zij hierin zichzelf angstig onderzocht en ondervroeg —, vaak en op 't onverwachtst kwam de vrees in haar aanstormen, of ze Charley ook haatte, of ze zich ook verbitterd tegen haar voelde, haar al te wrang benijdde —׳, maar tot haar gerustheid, ook nu weer, wees haar hart al die bittere gevoelens af. Maar jegens Hugo voelde ze niet sterk, maar toch, een vluchtigen wrok, omdat hij haar zwak had gezien, omdat ze aan hem haar gevoelen had verraden zonder loon ■—, doch haar redelijkheid vergunde haar, de dingen in hun algemeenheid juist' en zuiver te zien en dien wrok te bestrijden.
Ze lei stil in de stilte, met open mond ademend in het natbeschreide kussen, een brandende pijn tusschen de schouders, een matte levenszatheid in het hart.
Zwakke geluiden van wind en regen, het knarsend piepen van een raam, drongen tot haar door —, en beneden begon Egbert te neuriën, met zijn eentonige, zware stem. Ze veerde op als van een schok door haar heele lijf, en wierp zich op den rug weer neer, een vale afkeer trok haar als namelooze onlust door de leden, ze sloot de oogen met een wrangen trek om den mond —, ze zag zijn gezicht en had het kunnen slaan, de stem kunnen smoren en worgend knellen —, ze wist, dat het maar ijle opwinding was en dat ze hem in werkelijkheid niet haatte — maar haar hart deed zich te goed aan het kortstondig oogenblik van vrijheid, waarin ze hem tenminste haten kon, als een vreemde, die haar jaren lang had tekort-gedaan, gefnuikt, haar van zelfvertrouwen en kracht beroofd, het merg uit haar weggezogen, haar onrechtmatig beheerscht, en die haar nu eenvoudig terzij schoof en vergat. Van alles wat ze ééns voor hem had gevoeld, liefde als vereering en zachte aanhankelijkheid, keerde ze hem thans in bittere grimmigheid het tegendeel toe —, en haar lichaam verloochende in een ondraaglijk kwellend onlustgevoel, dat het ooit hem had toébehoord, die haar ziel niet had willen kennen.
En hij zong —׳, hij was alles van zooeven weer vergeten 194