eerst zilverblond haar, grijs blauwe oogen een scherpen neus en een jongen mond in een veel ouder gezicht en ze vroeg zich vluchtig af, wat dat gevoel van wonder en bijzonder-lijkheid toch altijd beduidde —, en tegelijk zag ze zichzelf als in een spiegel, haar proflei naar hem toe en de lijn van haar ronde schouders in de weeke, zijden stof, de teekening van haar haar langs achterhoofd en slapen en vroeg zich in verliefde verteedering af, hoe hij haar nu zou zien.
Het duurde alles maar een kort oogenblik, gedurende hetwelk hij al gesproken had —ze wist niet precies wat, maar trachtte uit wat hij nu zei den zin van het vorige af te leiden.
״Charley heeft daarin natuurlijk volkomen gelijk, dat het onzinnig is, de echtelijke jaloerschheid als iets verhevens en nobels voor te stellen en het vrijpleiten van zoogenaamde passioneele misdrijven, wijst zooals ik het zie, rechtstreeks naar een bedenkelijken terugval tot barbaarsche zeden en opvattingen —׳, het is de zeer menschelijke, maar niet bijster verheven neiging om ״te houden wat je hebt" tot een récht en een deugd verheven. Maar met dat te constateeren is de kwestie niet afgepraat en er zijn in zake ״trouw" nog wel andere dingen te zeggen, nog wel andere kanten te zien, dan die ééne —, en dat weet Charley natuurlijk volkomen goed. Maar ze wil het niet altijd zien ׳—, ze wil haar hart eens luchten tegen de domme, aanmatigende vrouwen, die in anderen een beroep doen op deugden, die ze zelf niet bezitten en ze weet zelf het best, hoe onredelijk ze dan is." Hij glimlachte even, en dan, half tegen zichzelf: ״Ik zie haar wel graag eens zoo fel, het beteekent immers, dat ze hartstocht en werkkracht heeft. Ze heeft daarnaast immers {ïaar inzicht ook! Kracht en inzicht gaan zoo zeldzaam samen —, er is in de meesten kracht zonder inzicht —, in enkelen inzicht en dan gewoonlijk zonder veel kracht —, Charley kan de dingen redelijk zien en zich dan door haar hartstocht weer aan hun redelijkheid onttrekken, en er onredelijk boos om worden."
In Ina werd een vage wrevel wakker —, nu hij over Charley praatte, scheen het als was hij haar bijzijn vergeten.
״Je zei, Hugo, dat er een andere ״kant" was aan ״trouw".
Hij knikte. ״Misschien niet voor elkeen, misschien niet voor de vrouw van dien ״aanbidder'' van Charley —׳ of voor mevrouw Ramondt —, maar bijvoorbeeld wel voor jou en mij."
Ze kon een onwillekeurige heftige beweging niet bedwingen.
״Voor jou en mij ?"
.185