mevrouw De Weert te hoonen aan den arm van haar man —, den man zóó aan te kijken, waar ik bij ben, alleen om haar te plagen!"
„Nu zie je, waarmee je getrouwd bent —, nu zie je, waar je verliefd op bent," lachte Charley, „ik haat haar, omdat ze dom en leeliijk en jaloersch is, omdat ze hoog in haar schouders is en dik om haar heupen, omdat ze een pruimenmondje heeft en een knopneus, ze kan het niet helpen en ik weet dat ze het niet helpen kan, en toch haat ik haar en wil ik haar plagen — en noem dat nu maar gerust mijn inkonsekwenten, vrouwelijken — je mag het ook mijn duivel-schen aard noemen."
„Maar nu weet ik nog niets," klaagde Ina schertsend „je zit daar maar te kibbelen."
„Ach jawel Ina, je weet er al alles van. Ik heb je toch dien De Weert wel eens gewezen, hier in de buurt, dat slappe Lohengrin-type, die mij zoo smachtend aankijkt en zoo plechtig groet. Ik ken hem van bij vreemden, van een thee-visite of zoo ׳—, en hij durft mij niet groeten, waar zijn vrouw bij is. Dat belachelijke wezen schijnt namelijk jaloersch te zijn. Boven alle beschrijving. Je hoort er- de zotste verhalen van. Van een mooi nichtje, dat hier studeerde en dat hem wel eens hulp vroeg — hij is aan een bibliotheek of zoo — en waar zij net zoo lang mee kibbelde, tot ze wegbleef, van een huisnaaister, die de deur uit moest, omdat mevrouw zich verbeeldde, dat ze verliefd naar mijnheer keek. En de man is volmaakt tam, hij eet uit je hand, hij zou letterlijk niets durven —, als je 't mij vraagt. Nu vandaag — ik weetniet hoe ik zoo balddadig kwam, nu had ik het erop gezet: hij zou mij groeten, waar zij bij was. En daar kwam ze, prompt en parmantig aan zijn arm, met haar lorgnetje voor haar schelvischoogjes. Hugo kneep mij vreeselijk — ik voel het nog — hij wilde dat ik den anderen kant uit kijken zou. Anders ben ik werkelijk héél gehoorzaam —, maar vandaag, het was mij te machtig. En toen moest hij wel en ik keek zoo uitdagend en hij kreeg een enorme kleur en ze loerde vooraf al zoo, dus ze zag het dadelijk, en ik had het uitgeschaterd als mijn waarde echtgënoot mij niet nog een kneep had toebedeeld."
„Dat is nu het loon voor zijn stomme hulde," zuchtte Hugo, „vertrouw op vrouwen!"
Charley haalde de schouders op.
„Een pantoffelheld! Ik gun het hem best, dat de barometer thuis op storm staat."
.180