—, ze kon eenige oogenblikken te laat thuis wezen׳ zonder dat hij haar verwijden deed, — Charley had wel gelijk, bedacht ze met bitterheid —, hij was niet ongelukkig, zelfs niet gegriefd, omdat ze met gedachten die hij niet begeerde te kennen, die zijn diepste wezen vijandig waren ׳— al wilde hij dat weer niet erkennen —, met behoeften en gevoelens waaraan hij niet kon voldoen, die hij niet begreep —, naar anderen ging, nu die ״anderen" een getrouwd paar menschen waren en haar verhouding tot hen geoorloofd was, eerder haar tot aanzien strekte dan tot het tegendeel. Wat hem dus in vorige verhoudingen tegen haar had opgezet, hem zoo fel had doen schimpen —, het was eenvoudig gekrenkte mannetjes-ijdelheid! En dat in hem, die alle ijdelheid in anderen — waar die den vorm aannam van behoefte aan erkenning, waardeering, bewondering — zoo scherp hoonen en belachen kon. En het wanhopige was, dat hij niets daarvan zelf inzag, dat hij het nooit zou willen erkennen. Hij voelde zich verongelijkt en daarom was hij verongelijkt, in haar gemoedsbehoeften geloofde hij niet —, omdat hijzelf ze methad ׳—, en in haar geestelijkheid niet, omdat hij er zelf buiten stond, star en onverzettelijk was hij in zijn eigendunk en waande zich de bekochte echtgenoot van een dier soort vrouwen, over wie men in een vertrouwelijk oogenblik tot een ernstig en vertrouwd huisdokter met gewichtig voorhoofd-fronsen „hysterisch" fluistert.
Was het dan niet erbarmelijk klein en zwak in haar, dat het gehate, hatelijk verwrongen woord haar toch een blos aanjoeg van schaamte en ergernis?
Charley lachte erom —, ook van haar hadden botte melkmuilen van jonge studenten, zakenploerten met roode koppen en opgestreken snor, oude heertjes met kale schedels gezegd dat ze „hysterisch" was, omdat ze oogen als gloeiende zwarte juweelen had, waarvan geen man dan Hugo-alleen de diepten had gepeild, en een tartenden rooden mond, waaraan geen andere man de weekheid en den weemoed had ontdekt, die Hugo in kussen ziek van liefde had gemaakt. O, hij was ziek van liefde, Hugo ׳—, ze had het dien eersten avond geraden, toen zijn vingers de bloem vasthechtten in Charley's haren en zij zelf zoo gretig had toegekeken dat het was als voelde ze die liefkoozing aan haar eigen hoofd —, ze zag het, zoovaak zij ze gadesloeg, aan zijn glimlach van mate-looze verteedering, zijn vochtigen oogenglans, ze zag de bezorgdheid in zijn handen, in elk van zijn bewegingen, zooals hij zich om haar heen bewoog, wanneer zij hoofdpijn had. 178