niet ״hoffelijk" meer te wezen — en hij keek naar Hugo of die hem gelijk gaf. En het was zoo grappig, omdat Hugo het juist zoo heerlijk vindt om hoffelijk te zijn, en juist het liefst tegenover diezelfde „geleerde vrouw die hem de gehoorzaamheid heeft opgezegd" — juist tegenover mij, omdat ik het zoo waardeer en altijd weer ervan geniet, omdat ik het zoo heerlijk vind, en er niet mijn neus voor optrek, als een vrije vrouw, en het ook niet als mijn recht accepteer, als een soort poppen in zij en fluweel, die ze „dames" noemen.
„Ja," zei Ina bitter, „die stelling ken ik ook al. De mannen „behoeven" niet meer hoffelijk te zijn, nu de vrouwen niet meer gehoorzaam willen zijn —, het is precies als de vrouwen die zich niet meer hoeven te „geneeren" wanneer ze eenmaal getrouwd zijn. Dat heb ik mijn schoonzuster Annie — en nog wel meer vrouwen ook — hooren beweren. Omdat ze niet weten, hoe lieflijk het is, voor een man om altijd „hoffelijk" te zijn en voor een vrouw om zich altijd te „ge-neeren", Het zijn maar lastige dingen, de hoffelijkheid en de pudeur, waaraan ze een tijdlang wel moeten meedoen voor hun fatsoen. E:n die ze daarom zoo onecht en zoo onbevallig doen."
„Als ik Hugo zie flirten met jonge meisjes — ze zijn allemaal verzot op hem — dan benijd ik hem, dan zou ik een man willen zijn, om die half-gemeende en in hun eigen moment toch wel weer heelemaal gemeende vleierijtjes te mogen zeggen. Hij doet het zoo aardig.''
„Hij is wel hoffelijk, Hugo. En jij, Charley, jij .. . jij .. . „geneert" je wèl voor hem?"
Charley lachte en kreeg een kleur.
„Las je ooit wat Schnitzler zegt — ik weet niet precies in welk stuk, een van de Anatol-Serie, ik zal het wel eens voor je opzoeken, — over „schaamte" en „schaamteloosheid?"
„Ik las het niet —, maar ik weet wel wat je bedoelt, geloof ik."
„Dat geloof ik ook" zei Charley en bleef voor zich uitzien, met een lach in haar oogen.
Ina sprong ineens op van de bank, waarop ze tezamen hadden gelegen.
„Hugo is laat van morgen."
„Bizonder".
„Ik geloof maar niet, dat ik nog langer op hem wachten zal."
„Als je tenminste voor half een thuis wilde zijn. Maar je je komt immers gauw genoeg weer eens aan."
„Ja —stil, is hij daar niet ?''
.176