nog zoo zacht en zoo goed en zoo voortreffelijk —, zij was de vrouw van den man —, maar jij bent in de eerste plaats eén mensch op jezelf, met een eigen roeping, een eigen bestemming, een eigen ״wandel" om het zoo eens uit te drukken. Vergeet dat toch niet."
„Dat is het vrouwelijke in mij/' glimlachte Ina, „het ouder-wetsch vrouwelijke."
„En dat, meer dan wat Egbert doet, staat dan ook je vrijheid in den weg. Maar als je nu getrouwd was met een man als Hugo, die lieve man, die mijn man is, dan zou hijzelf je geholpen hebben, je van hem vrij te maken. Wij vrouwen hebben nu eenmaal de slavernij in het bloed —, van onze moeders en grootmoeders en voormoeders —, maar Hugo zou geen slaafschheid, geen onderworpenheid aangenomen en aanvaard hebben. Egbert wèl, die maakt er gebruik van, maakt er misbruik van — niet uit boosaardigheid, kind, dat weet ik immers ook wel .— maar eenvoudig uit gemakzucht en doodgewone mannelijk aanmatiging —, met al zijn „overwonnen standpunten'' en zijn beweringen over wat een „modern mensch" alzoo te boven is."
„Dat ik mijzelf niet durf zijn —, dat mijn zwakheden zich
niet veilig voelen.....mijn veel gesmade ijdelheid.....Ben
ik zoo buitensporig ijdel?"
„Je hebt niet eens een zakspiegeltje en je bewaart de kritieken niet, die ze over je werk schrijven. Dus buitensporig ijdel ben je in elk geval niet —, maar je bent wel een beetje verliefd op jezelf."
„En ik vind het zoo heerlijk, mij klein te maken en geliefkoosd te worden en vertroeteld, als een kind of als een poes. En dat is ook zoo een gemis voor mij: dat ik mij daarin nu ook verbergen moet. Niet, omdat Egbert mij minachten zou —׳, maar hij zou eenvoudig niet anders dan het kleine kind meer in mij zien. En dat zou natuurlijk ondragelijk wezen. Ten slotte ben ik toch wel zooveel „man", dat ik voor mijn hoogheid nog wel wat kan laten varen. En hij begrijpt niet, dat een vrouw met wat geest en wat talent, toch altijd en in de eerste plaats vrouw is, met vrouwelijke gevoelens en vrouwelijke verlangens —, en dat het een het ander in elk geval niet uitsluit."
Charley lachte.
„Dien avond, dat we bij jullie waren en hij mij niet in mijn mantel hielp —, hoorde je, wat hij toen zei? Nu de vrouwen zóó knap en zoo geleerd zijn en ons toch eenmaal de gehoorzaamheid hebben opgezegd, nu hoeven wij ook
.175