geen belang in de menschen en heeft ״lak" aan hun instellingen —, dat is zijn levenshouding."
„Ina, kind, ga dan bij hem weg —, hij verminkt je, hij demoraliseert je, hij onttrekt je aan jezelf."
„En mijn jongen ?"
„Ja ....''
„En ook zonder mijn jongen", riep Ina wanhopig, „ik kan toch niet bij hem weg. Juist omdat hij zoo is, juist omdat hij niets begrijpt, niets weet, niets erkent. Hij zei eenige maanden geleden tegen mij: je wilt een nul van mij maken—, en hij ziet in het geheel niet, dat het juist andersom is —, dat hij van mij een nul maakt. Hij heeft nooit iets in mij gewaardeerd —, en beseft niet eens wat dat voor mij betee-kent, ofschoon hij het nuchtere feit niet loochenen kan. Maar juist daarom, omdat hij niet weet wat dat alles voor mij beteekent, voelt hij dat wat ik hem aandoe, mijn heftigheid en mijn „ontrouw" als onrecht en verongelijking. En o, Charley, je weet niet, hoe pijnlijk dat is, hoe ellendig, iemand om je heen, die zich voortdurend verongelijkt voelt, ook al weet je, dat het volkomen ten onrechte is.
Ik weet nu zoo goed, waarom Candida haar pompeusen dominee „zwak"' noemde. Om zijn verblindheid. En hij had tenminste deemoed ook. Er is geen grooter kracht, Charley, geloof ik, dan bewustheid en inzicht en het besef dat elk ding dat gebeurt, rechtvaardig is. Ik ben er nog wel lang niet altijd aan toe, maar ik weet toch hoe het in mij moet worden. En hij niet. Als ik van hem wegging, zou hij zich misschien niet bitter ongelukkig, maar wel bitter verongelijkt voelen en miskend —, al het recht naar zich toehalen — en dat kan ik niet dragen — er moet eerst waarheid tusschen ons zijn, dan zou ik kunnen weggaan —, en dan zou het niet meer noodig wezen. Maar ik ben niet als Candida, geduldig. Nu weet je mijn verklaring voor wat ik „mijn rede-looze gehechtheid" noem — ־, misschien is er een andere...,"
„Misschien is er een andere," zei Charley,
De klank van haar stem deed Ina opzien en blozen.
„Neen —, niets van dat, wat jij bedoelt," weerde ze snel af. „Maar mijn leven is met het zijne vergroeid —, wij hebben samen ons kind en dat niet alleen: samen ons leven, samen ons verleden. En herinnering is voor mij zoo'n geweldig ding, Charley, dat weet je —, en er is zoo een bindende kracht in de dagelijksche kleine gemeenschappelijkheid —׳, wie het niet heeft, die weet het niet. Er is een tijd geweest dat ik tegen hem opzag, dat ik hem vergoodde, dat
.173