beteekent geen hoogheid, geen meerderheid —, het is juist het tegendeel, jammerlijke zwakheid en eenzijdigheid. Het is toch niet de eerste maal, dat we erover praten.''
״Hoor ik daar Hugo niet?" viel Ina haar plotseling in de rede —beiden luisterden gespannen.
״Nog niet" zei Charley en ze zwegen.
״Kun je niet bij hem weg, Ina?" vroeg ze weer, na een oogenblik, ״Nu ik je ken, lijkt me je huwelijk zoo overdadig-onzinnig. Hij rooft je evenwicht uit je weg —, hij knot je in je groei, hij prikkelt je tot drift, hij ontneemt je je hoogheid, hij laat je het beste in jezelf kreupel slaan, je dingen zeggen, waar je later spijt van hebt en die je zelf het meest vernederen —, hij dwingt je tot een houding van aanmatiging, tot je zelfbehoud, ik begrijp het zoo goed —, en je heele wezen is geschapen om in eenvoud en nederigheid en harmonie te leven. Hoe heb je toch ooit met hem kunnen trouwen, kind?"
״Ik hield van hem, Charley —, hij was de eerste werkelijke mensch, die ik ontmoette, na mijn provinciale vrinden, na Mary Rutgers en haar vrouwenkiesrechtdames —, hij was niet enghartig en niet bekrompen en niet dor —, hij dorst tegen de menschen op te staan, hij stond ze, allemaal —, hij was voor niemand bevreesd en duldde geen enkelen dwang. Zóó was ik toen ook —, dat iedere dwang mij brandde, en dat ik geen juk wou dragen en niet nederig zijn, niet voor God en niet voor de menschen.''
״Was jij zoo, jij Ina?"
״Het kon niet anders —׳, ik was te veel vernederd. Ze wilden mij besnoeien en ze sneden hét beste uit mij weg. Mijn verzet van toen was óók zelfbehoud. Als je in een schuit staat en open water zoekt, dan moet je afduwen, dan moet je, om het zoo uit te drukken, den oever te lijf. Niet om te krenken, niet om pijn te doen, maar eenvoudig omdat je open water zoekt. Voel je ? Zoo moest ik met de menschen. Ik wilde in open water en ik duwde ze af. Dat was mijn schijnbare overeenkomst met Egbert, dat wij beiden de wereld en haar dwang verwierpen. Maar in mij, Charley, was het niet meer dan de noodzaak, een blinde drift van mijn jeugd, zelfbehoud —, in mij is het dus voorbij gegaan —, en nu geen mensch meer rechtstreeks gezag en macht over mij heeft —, nu juist zoek ik ze en houd ik van ze, in mijn goede oogenblikken. En mijn beperkingen wil ik nu en kies ik nu ook zelf. Maar in hem, in Egbert, is geen deemoed en geen nederigheid, geen zelf-erkenning. Hij stelt 172