zijn met Egbert? Hij is zoo vriendelijk en zoo hulpvaardig, hij heeft zooveel goedigs en ik. had zoo graag gelukkig willen zijn."
„Jij met hem! Je bent hem tot een last. Je bent zijn ergernis — hij zou je niet kunnen dulden, als er niet nog een gedwee huisvrouwtje ook in je stak ■—, en iets van het voormalige hongerkind, dat nog altijd niet verzadigd is aan vriendelijkheid. Hij geeft minder om jou dan jij om hem. Heeft hij je ooit gezegd, dat hij je noodig had, dat hij op je steunde, op je bouwde, dat hij je voor zijn geluk niet missen kon? Heeft hij je ooit iets gevraagd, heb je ooit gemerkt dat je iets voor hem was? Heeft hij je ooit afgesmeekt wat je toch miste, wat je toch zocht, wat je toch verlangde, dat je altijd naar anderen ging?"
„Neen," zei Ina, „dat heb ik je al gezegd, hij schold en hij schimpte en hij eischte, en hij zei dat „het gedonder uit moest zijn" en dat hij er anders „een stokje voor zou steken". Zie je, het was niet, dat ik vrienden had —, het was dat hij niet wilde, dat ik hem voor een ander verwaarloozen zou."
Charley lachte bitter. „In duidelijk Hollandsch: je gevoel kan me niet schelen, je gepraat en je gezanik is lastig, ruk je hart uit je lijf —, maar ik ben nommer één. Ik wil een thuis —, ik wil een vrouw, ik wil met rust gelaten worden. Voor kousenstoppen, voor de keuken, voor het kind —, daar heb ik mijn vrouw voor daar heb ik recht op als ik mijn geld binnen breng, en niet drink en geen doordraaier ben en den boel niet stuksla. Wel, jij bent in je eentje een kant van de „vrouwenkwestie" —, en nog niet eens een zoo onbelangrijke. De vrouw met geest en talent onder den druk van den man zonder geest en zonder talent en die toch, die juist daarom den meerderheidstoon aanslaat van de klassieke huwelijksverhouding. Heb ik dat niet kwiek en keurig geformuleerd?"
Ina lachte maar flauwtjes.
„Maar als hij niet werkelijk de sterkste van ons beiden was, Charley, zou hij mij dan kunnen beheerschen ?"
„Ach kom,'' riep Charley opspringend en de kamer op en neer loopend „altijd die onzin die de menschen elkaar napraten. De „sterkste'* is de baas niet —de slechtste, de grofste, die is de baas. Die geen middelen ontziet, die niet aan zijn eigen recht twijfelt. Wat jou zwak maakt tegenover Egbert —is de twijfel aan je zelf —, hij twijfelt niet en dat schijnt kracht.
Dat is het ook —, een ruwe, brute kracht —, maar het
.171