driekwart, zooals negen-tienden van de menschen zijn.
Dien keer bij jou —, eerst met een soort ״moppig" bravour vertellen, dat jij hem zoo lastig viel omdat hij geen „levensbeschouwing" had —, en daarna den heelen avond strooien met meeningen als Sinterklaas met pepernoten, alsof er één enkele meening mogelijk is zonder „levensbeschouwing". En dat snapt hij niet eens ׳—, en evenmin dat je onmogelijk kunt spreken van het „absolute" in kunst —׳ en dat deed hij, dat had hij natuurlijk van een „erkenden autoriteit" — zonder het „absolute" te zien in elk geestelijk en moreel gebied. Als je „absoluut" zegt, zèg je immers „God". Dat beseft hij niet eens —, en praat maar—,en praat maar —, het is gewoon een chaos bij hem, in zijn hersenkas.
En dat is allemaal niets —, maar dat jij met hem getrouwd bent, dat is het ergste! Dat jij getrouwd bent met een man, die boven „deugd" en „moraal" en „idealisme" en „godsdienst" verheven is, en aan de benepenste klein-burgerlijke huwelijksopvattingen nog niet ontgroeid. Die je behandelt als een kind —, als een idioot — met zijn glimlachjes en zijn knipoogjes — die de baas over je speelt, die je dingen „verbiedt" en andere dingen „goed-vindt" —, ik kan er gewoon niet bij zijn en Hugo ook niet, Hugo kan het nu Ook niet meer zien."
„Hugo is laat vandaag," zei Ina „hij zal toch wel komen?"
Charley keek naar de klok.
„Zijn vriend is wat lang van stof. En hij is altijd zoo blij als Hugo komt —, die wil dan natuurlijk niet dadelijk weer wegloopen."
„Ik heb Egbert nog nooit geestdriftig gezien, Charley —, en nog nooit ontdaan, nog nooit in bewondering —, anders dan voor een vaasje of een antiek kastje —, en zelfs nog nooit heftig verwonderd. Hij heeft altijd alles vooruit geweten, en alles spreekt voor hem vanzelf. Ik herinner mij dat ik eens in een artikel een uitlating aangehaald vond van een bekend natuurkundig professor, die neerkwam op de erkenning, dat de wetenschap het voor wezenlijke vooruitgang in laatste instantie toch van de „intuïtie" moet hebben —, van dat onbewuste, ongewisse, onnaspeurlijke, dat wij „intuïtie" noemen. Vind-je dat niet een curieuse uitlating voor een natuurwetenschappelijk geleerde ? Ik ook, ja. Toen ik het Egbert vertelde, glimlachte hij, met dat gewone smadelijke lachje „wie heeft daar dan ooit aan getwijfeld? Ik misschien ?" Zie je, Charley, zijn heele leven is de ontkenning van wat die man bedoelde, al zijn uitlatingen, al zijn beweringen,
.169