en verschansen achter een schijn van zelfverzekerdheid en zelfingenomenheid —׳, toen moest ik hem wel met zijn eigen munt betalen —, met zijn eigen wapens bestrijden. Het was een kwestie van zelfbehoud. Of had ik moeten ondergaan ?"
Charley antwoorde niet, ze streelde Ina's haren.
„Hier ben ik veilig, bij jou en bij Hugo. Zou Hugo nog thuis komen voor den middag ?"
„Ik weet niet. Gewoonlijk is hij er wel tegen twaalf uur. Kom nu hier wat bij mij liggen."
Ze keken samen het open venster uit en Ina zei weer:
„Je kunt niet half weten, hoe veilig ik mij voel."
„Ik zag den eersten avond al wat je noodig had."
„En na dien eersten avond?" lachte Ina droevig.
„Toen meende ik dat ik mij vergist had. Hoe was het ook mogelijk, dacht ik toen, dat je met dien jongen... Maar nu geloof ik dat ik het begrijp. Jij zag den jongen niet, jij zag alleen jezelf en wat je noodig had."
„En toch kan ik niet verdragen eraan herinnerd te worden," zei Ina heesch en snel, „ik kan er niet over spreken, het vernedert mij, het doet mij pijn. Maar toen ik den eersten keer hier kwam, toen was je toch ook weer niet zeker van mij —, ik voelde het zoo —, toen ik wegging, dat de eerste indruk niet aangenaam was geweest, dat ik tegengevallen was."
„We waren allebei doodmoe, Hugo en ik. Je was zóó druk, zóó opgewonden, je deed zoo vreeselijk je best, je kraamde zooveel geest en zooveel geleerdheid uit, je had een heel andere stem, een heel ander gezicht dan nu. Doet het je pijn, als ik het zoo ronduit zeg ?"
„Het doet pijn," zei Ina, met de oogen vol tranen, „maar ik weet immers dat het de waarheid is. Ik wist het immers toen al, bij het heengaan. Je had me moeten zien, mijn hoofd was leeg, mijn lippen waren wit, zoodra ik buiten kwam, had ik een gevoel als moest ik vallen. Het was weer het oude lied —, ik was te gretig, wilde jullie ineens, als stormenderhand veroveren —, en daardoor stiet ik jullie af. Altijd was het zoo. Ik had de menschen zoo noodig, ik smeekte ze bijna om hun liefde, ik speelde den clown om ze te laten lachen, ik maakte mij klein, om ze een illugie van grootheid te geven, ik liep ze achterna, ik ...." haar lippen trilden, ze zweeg.
„Dat zag ik juist toen," zei Charley zacht, „je hebt den menschen te veel getoond, dat je ze noodig had —, en daarmee heb je ze vervreemd. Zoo zou je zelf ook zijn. Ik zeg er niets ieelijks mee —, ik beschuldig niemand —׳, het is een natuurwet."
.166