״Charley," zei Ina, met haar vleiende stem en zachtstra-lende oogen, „blijf jij daar nu stil voor het raam liggen, dé seringen ruiken zoo zoet —, je kunt den meidoorn bijna zieti opengaan en ik vind het zoo heerlijk, je daar te zien liggen, en te bedienen. Ik maak je chocola voor je klaar, snij je een boterhammetje ...."
„Vindt ze het zoo heerlijk mij te bedienen?" plaagde Charley, „of vindt ze het zoo heerlijk, dat ik hier lig en mij laat bedienen en dat ik denk, wat is Ina vandaag weer bijzonder lief en wat ziet ze er aardig uit met dat blauwe japonnetje, wat is ze toch anders dan „de anderen" en wat hou ik veel van haar —׳ is het niet dat, wat je eigenlijk zoo heerlijk vindt?"
Ina stond stil en luisterde glimlachend.
„Misschien wel," zei ze zacht „misschien heb je wel gelijk, Charley."
„Je geeft het nogal eerlijk toe," lachte de ander.
„Waarom zou ik niet? Je weet niet hoe heerlijk ik dat vind, dat ik mijn zwakheid, mijn vele zwakheden bekennen kan, daar waar mijn zwakheden veilig zijn. O, Charley, kind, niets is erger dan te moeten leven, waar je zwakheden niet veilig zijn —, en waar je ze dus altijd-door moet loochenen, ontkennen, verbergen. Het geeft zoo'n belachelijk-opgeblazen, aanmatigend gevoel. Begrijp je wat ik bedoel? Heb je ook wel eens gehad die behoefte om je te verootmoedigen, om je te belijden?"
„Als de „held" in je boek?"
„Als hij! Die een „goed mensch" —, in den zin van een gelukkig mensch, een harmonisch mensch wilde wezen. Herinner je je? Dat hij eerlijk wilde zijn tegenover zichzelf en tegenover anderen ? Hoe hij niet kon verdragen een „Christen" te worden genoemd, omdat hij zich niet bij machte voelde het te wezen. En hoe hij zich beleed tegenover zijn dorpsgenooten ? En hoe zij hem verdrukten en verachtten en verjoegen, de braven, die in zichzelf geen enkele zwakheid en geen enkel tekort hadden gevonden en zich uitnemende Christenen waanden? Ik vertel het slecht, maar omdat je het toch gelezen hebt...
„Toen ik bemerkte, dat ik mijn zwakheid niet belijden, mijn twijfel en mijn wankelmoedigheid niet toonen kon, zonder mij prijs te geven aan de verachting en de verdrukking van iemand, die zichzelf sterker en beter acht, omdat hij altijd zeker van zichzelf is, altijd alle recht en alle gelijk plompverloren naar zich toe haalt, toen moest ik mij wel verbergen
.165