boek, dat ze had gelezen —• de sterk-uitgedrukte verbazing veroorzaakte een lichte pijn, moest zij nu óók behooren tot hen, die alleen ernst verwachtten achter een uitgestreken facie? — maar de vreugde behield de overhand en goedmoedig lachend zei ze tot Egbert, terwijl ze hem het briefje reikte en over zijn schouder nog eens meelezen bleef :
״Ze hadden er blijkbaar niet zoo heel veel van verwacht."
״Heb je־ ze een exemplaar gestuurd?"
״Natuurlijk niet," zei ze, en ze was blij dat ze het zeggen kon,
״Zie je wel?" — wees ze met den vinger ״ze vragen of ik eens bij ze kom! Zou ik het doen ?"
„Je kunt het doen," zei hij, in zijn gewonen, achteloozen toon, „het is in elk geval prettig, dat ze je boek mooi vinden. Hij ook, schijnt het" — en Ina voelde, dat zij en haar werk in Egberts achting rezen door de waardeering van de Ruyssenaers.
„Ze zullen waarschijnlijk wel bedoelen, dat ze ons samen verwachten," meende Egbert.
Ina voelde iets van wrevel en verzet, maar ze wilde niet en ze dorst niet het te laten merken. Samen met Egbert, Charley en haar man ontmoeten —, het beteekende een voortdurende belemmering voor elke uiting, voor elk woord, een voortdurende ingehouden angst, zich te toonen, zooals ze voelde en was, te spreken over dingen, die zijn koud ongeloof en schamperen meerderheidslach uitlokken moesten. En waarom ook? Waarom moesten ze altijd als brave echtelieden gemeenschappelijke vrienden hebben, gemeenschappelijk bezoeken brengen, waarom kon ze niet zonder hem daarheen gaan?
„Zie je, Egbert, zij schrijft van voorlezen, gedeelten uit mijn boek. Ze vindt dat ik zoo mooi lees, zie je wel? En jij houdt immers niet van voorlezen!"
„O, maar voor een enkelen keer kan ik dat nu óók wel slikken,'' antwoordde hij onverstoord „je zult toch wel van plan zijn, ze ook eens hier te vragen, nietwaar? En dan lijkt het mij geschikter en gepaster als we er tenminste den eersten keer samen heengaan. Tenzij jij een of ander geheimzinnig bezwaar hebt," het laatste klonk schamper.
„Natuurlijk niet," haastte Ina zich te zeggen. En ze durfde niet vragen, dat ze gauw zouden gaan, nog diezelfde week, om Egbert niet te toonen, hoe verrukt ze was met Charley's verzoek. Doch toen hij de kamer uit was, nam ze het briefje op vanwaar ze het schijnbaar achteloos had neergelegd, las het nog eens over en borg het zorgvuldig weg.
.163