bladen —, was het niet volkomen Egbert's eigen toon —, de toon, waarin zijn gansche geestelijk leven scheen gestemd, de toon van hoogvaardigen schimp, dorre zelfverheffing, die eigen grootheid zoekt in het Smaden van anderen, en van deemoed noch nederigheid wil weten?
Ze schrok op van haar eigen bittere gedachten en over de tafel heen naar Egbert kijkend, die stil verdiept zat in zijn krant —, had ze plotseling het ellendig gevoel, dat ze hem achter zijn rug verraden had. Berouw maakte zich van haar meester —, en deed langzaam, langzaam de weegschaal naar de andere zijde overslaan: wat haar even tevoren onwrikbaar had geschenen, haar eigen natuurlijk inzicht en zedelijk besef, de stem van hart, rede en geweten tezamen, werd zwak en wankel, kwam op losse schroeven te staan...
Wat had Egbert ook weer gezegd? Iemand mocht aan bepaalde dingen schuldig staan —, en had dan toch het recht anderen diezelfde dingen te verwijten. Neen, werkelijk, het tegendeel viel niet aan te toonen. Zelfzuchtige menschen mochten smalen op de zelfzucht van anderen, machtiger dan zij. Een goede gemeenschap kon gevormd worden zonder dat de menschen zichzelf behoefden te verbeteren —, streven naar eigen zedelijke volmaaktheid was tijdverdrijf voor vrouwen en mallooten. Maar als ״deugd'' nonsens was —, ״moraal" een ״verouderd begrip" —׳, in naam waarvan had hij haar dan met geweld tot de engste burger-deugd en burgermoraal gedwongen? Wist hij het zelf wel? Bedoelde hij eigenlijk wel ooit iets werkelijks met alles wat hij doordreef en beweerde en in den loop der jaren had doorgedreven en beweerd, iets anders dan wat zijn aanmatiging en gemakzucht hem ingaven ?
Het was zoo verbijsterend van onsamenhangendheid —, er was geen kop of staart aan te vinden, er viel geen touw aan vast te knoopen —, het zat in geen enkel princiep geworteld, het was uit geen levensbeschouwing gegroeid —׳, hij hield er ״die dingen" immers niet op na —, hoe was hij dan daarzonder tot al zijn meeningen en oordeelen gekomen, op grond waarvan hij dorst ingrijpen in een anders leven, in haar leven?
Deze zelfde dorre gedachten legden meer en meer beslag op Ina's geestesleven en zogen haar levenslust en haar kracht uit haar weg —, maar konden niet beletten, dat Egberts zekerheid, zijn zelfvertrouwen tegenover haar eigen Onvastheid, haar altijd weer opnieuw imponeerde en aan zichzelf deed twijfelen.
11. C. V.
.161