״Hoe meen je: verder?", vroeg Ina onthutst, en bracht de hand naar het hoofd, ״ik weet werkelijk niet meer waar we waren. Ik wou je alleen dit vragen: zou je voor je zelf tot groote, persoonlijke offers in staat zijn, Om betere samen׳ leving te bereiken? Wij hebben meer dan het gemiddelde, Egbert, veel meer, geloof ik! Als alles, wat we voor een ״betere gemeenschap" wenschen, nu eens niet van anderen af moest, maar voor een groot stuk direct van ons zelf, zou jij je dan tot dat offer bereid voelen? Want anders is het toch maar praat zonder meer, praat die niets kost."
״Ik meende, dat we een zuiver zakelijk debat voerden," kwam Egbert pompeus-ironisch, ״maar dat schijnt boven je vermogens te gaan."
״Ik bedoel het zuiver zakelijk ik geloof niet in een redelijke wereld zonder redelijke menschen, of in een onzelfzuchtige gemeenschap zonder onzelfzuchtige menschen."
״Dan zijn we het ouder gewoonte weer niet eens en kunnen dit leerzaam onderhoud gevoeglijk staken."
Ina sprak niet meer —, en terwijl Egbert zich achter zijn krant verschool —, trachtte ze haar gedachten te ordenen. Ze voelde de onzinnige leegheid van hun gesprek —, maar ze wist niet recht, waar of bij wien ze de schuld moest zoeken. Ze was verward en afgemat ׳—, ze trachtte zich rekenschap te geven van wat Egbert bedoelde met ״inzicht" en ״politieke overtuiging", die ״gevoel" en ״zedelijkheid" buitensloten. Hij-zelf behoorde tot geen partij, nam aan geen enkele beweging deel —, maar hij ״stemde rood" en noemde zichzelf met zijn gewonen hoovaardigen spot ״gematigd-onverschillig, met een roode streep erdoor". Maar wat hadden zijn ״democratische neigingen" dan werkelijk in? Begreep hij-zelf het recht?
Ze waren noch op warme menschenliefde, noch op wetenschappelijk inzicht gegrond, evenmin door direct eigenbelang ingegeven —, wat kon hun bron en oorsprong zijn? En langzaam aan rees het vermoeden in haar op, dat het misschien eenvoudig zijn naar afbreken en schimpen geneigde aard was, die hem had gedreven in het kamp van hen, waar iedereen zich aan afbreken en schimpen te goed doet —, waar het verguizen tot eer strekt, de grootheid goedkoop is, waar bovenal geen der dingen, die hijzelf miste ׳—traditie, opvoeding, beschaving — bijzonder wordt geacht, geen ״vooroordeel" behoeft te worden geëerd, geen heilig huisje ontzien !
De toon en het gebaar der zoogenaamde ״roode'' spot-160