heelemaal niet met je eens. Uit het feit, dat je zelf iets doet, volgt absoluut niet, dat je een ander datzelfde niet zou mogen verwijten."
Het was Ina of ze duizelde.
„Hoe bedoel je?"
„Precies, zooals ik het zeg."
„Dus, als ik zelf lieg en steel of zwelg —, zou ik het recht hebben een ander te verwijten dat hij een leugenaar, een dief of een gulzigaard is?"
„Natuurlijk. Waarom niet?"
„Maar Egbert —, dat kan niet."
Hij lachte hooghartig.
„Ja, beste kind, uit het feit, dat jij zoo iets niet begrijpt, volgt nog niet, dat het „niet kan". Tracht me het tegendeel te bewijzen !"
„Ik kan het niet bewijzen," zei Ina snel en warm, „die dingen zijn niet te bewijzen, maar ik voel het zoo: het is de grondslag van alle dingen. Je kunt natuurlijk altijd op anderen schelden zoo veel je wilt —, maar het moreele recht daartoe heb je toch alleen, als je niet aan dezelfde dingen schuldig staat. Dat is toch duidelijk, nietwaar?"
„Jij kunt het duidelijk vinden, mij overtuigt het heelemaal niet," hield Egbert pompeus vol, „maar jij kunt geen personen van zaken onderscheiden en je haalt overal „moraal" bij, waai׳ „moraal" niet te pas komt. Wat jij onder „moraal" verstaat, is verouderde onzin. Met een politieke overtuiging, dat is met een ding van verstandelijken aard, heeft geen deugd of iets van dien aard iets te maken."
„En hoe kom je dan tot die „politieke overtuiging" ?
„Door inzicht —, het zoogenaamde „gevoel" staat daar buiten."
„En iets als zelfveredeling, streven naar persoonlijke hoogheid en harmonie, om althans in jezelf iets van een ideaal te verwerkelijken, dat acht jij dus volkomen overbodig ?"
„Alle idealisme in die richting acht ik volkomen overbodig, ja. Gewoon Don-Quichottisme —, overigens een uitstekend tijdverdrijf voor vrouwen en mallooten."
„Maar dat jij die „betere gemeenschap" wilt, die „open tafel" voor elkeen zonder onderscheid, dat is toch in laatste instantie een kwestie van je gevoel," hieldjna vol, „je gevoel van menschelijkheid en rechtvaardigheid wijst deze slechte samenleving af en reikt naar een betere. Is dat waar of niet ?"
„En verder?" zei Egbert, zonder de vraag te beantwoorden, met een licht-ironisch glimlachje.
.159