Ina zag haar schuinoogen over haar schouder heen —, toen kwamen ze samen naai haar toe. En Paul drukte haar hand en vroeg onbevangen, hoe het haar ging, hoe het man en kind ging, als waren ze oude vrienden, als hadden ze gisteren elkaar ontmoet, hij stelde haar voor aan zijn glimlachende vriendin, en vertelde dat hun een ongeval met de auto was overkomen, 't welk door den chauffeur werd hersteld, dat hij echter liefst zelf daarop toezicht wilde hebben en nu blij was, dat hij in Ina gezelschap voor zijn gezellin had gevonden —׳, als Ina er tenminste geen bezwaar tegen had. Dit laatste zei hij met een luchtig zelfverzekerd lachje, als overtuigd dat het tegendeel vanzelf sprak.
Even bleven ze alle drie tezamen zitten —, toen stond Paul op en Ina bleef met de vreemde alleen. Zij had bij het voorstellen ״mevrouw" verstaan ׳—, haar „opvolgster" was dus een getrouwde vrouw, ze was in het gezelschap dat bij haar paste, ze had geen reden bedroefd te zijn of verbitterd tegen Paul, omdat de ander een geverfd en gepoederd poppen-gezicht had, met kleine oogen, aangezette wenkbrauwen, opzichtig gekleed was en gefriseerd. Ze droeg onder haar openhangenden bontmantel een kanten blouse, ringen aan de lange, dunne vingers, een witte orchideé was op haar mof gestoken. Zoolang Paul op het tuinpad en daarna op den weg zichtbaar bleef, keek ze hem na, met knikjes en lachjes en kushandjes, en middelerwijl staarde Ina in het poppenge-zicht en naar de orchideeën en voelde zich verward en verbijsterd en wist niet, wat ze zeggen moest.
Maar de andere begon dadelijk en verward over Paul te spreken, hoe aardig hij was en hoe geestig en bereisd en hoe goed hij zich kleedde en dat ze hem nu drie maanden kende en dat ze tezamen een heerlijken tijd hadden. En haar man bemerkte niets —. Paul kon zich zoo verrukkelijk strak houden, bij haar thuis of in vreemd gezelschap. Ze zou ook wel zorgen, dat het heel lang duurde, want een mensch was maar eenmaal jong, en de mannen namen het er net zoo goed van en zij vatte het leven heel modern op —, zij moest niets hebben van de ouderwetsche, dubbele moraal. De vrouwen hadden evenveel recht om zich „uit te leven" als de mannen —, Paul zei het ook, en ze was het volkomen met hem eens.
„U bent het toch óók met mij eens, nietwaar? U hebt Paul immers gekend, voordat ik hem ontmoette ? Hebt u hem lang gekend ?"
„Niet zoo heel lang," ze wist nauwelijks wat ze zei, haar mond was dor, strak staarde ze het raam uit.
.154