hét stiet haar buiten.de gemeenschap der gezonde waardige menschen binnen een kring van griezelig-zieken, van ontaarden, minderwaardigen. Maar had Coba gelijk ׳—, hadden ze allen gelijk, was ze inderdaad ontaard en minderwaardig ? De zomer lag achter haar ׳—, wat was er geworden van de glanzende verwachtingen, de droomen, de bovenaardsche vervoering ׳— ? Vernield en verdreven, uiteengevallen in kwellingen en zorg —, Egberts meedoogenlooze spot, de dagelijksche prijs, die hij voor haar ״vrijheid" opvorderde, waaronder ze verkromp van schuldgevoel en dien ze toch niet duldde —׳, en dan Ramondt's eigen huiselijke klachten —׳, de twisten en tranen van Caroline, zijn vrouw, haar bedreiging, dat ze met de kinderen wegtrekken zou en hem alleen laten —, zijn voortdurende angst samen met haar te worden gezien, waar zij hem dan in bittere woorden verwijt van maakte, omdat al dat steelsche en heimelijke immers den laatsten schijn eener illusie van verheffing en heerlijkheid uit haar roofde —, en ook zijn schuw schuldgevoel tegenover Egbert —, het was alles tezamen een dagelijksche jammer, een afmattende marteling, waarin alle droom verloren ging, waarin elk van hen tweeën zich om de ander moeizaam staande had gehouden, om het scheiden —, dat noodzakelijk werd, nu Caroline hem voor de keus had gesteld öf met hem, öf zonder hem te verhuizen —, nog een laatste glorie van zelfopofferende hoogheid en smart te geven —, doch elk van beiden heimelijk blij met het verlossend einde.
Het was een nederlaag geweest .—, en niet enkel tegenover een slechtgezinde, ongastvrije wereld —, maar ook tegenover Zichzelf. Want was het niet eigenlijk haar eigen gevoel, dat zich in de werkelijkheid niet staande houden kon, omdat het uit te broze droomen opgebouwd, geen eigen werkelijkheid in zich droeg? Zoo heftig en alles omvattend en machtig en smartelijk-verheerlijkend het in haar opstond —, het kon toch het leven niet lijden, toch het licht niet verdragen. Waarom was ze niet tevreden geweest met die vervoering, die weliswaar door hem was opgewekt, maar die niettemin zijn persoonlijkheid en de hare ook verre te boven ging.—, met die bron van werkkracht, hoogheid en gelatenheid ? Het was dat die bovenpersoonlijke vervoering tegelijk en als noodzakelijk met zich bracht zooveel brandend verlangen en smart, een pijnlijk ongeduld, een hunkeren om juist met hem te zijn, een eenheidsverlangen, dat boven hem uitgericht, toch om hem zich wilde kristalliseeren, dat een week een jaar deed schijnen, een etmaal eindeloos, een uur ondragelijk 152