om een ambacht te leeren, en die liever leven op een andermans zak. Omdat Otto zoo zeurde over een paar japonnen die boven hingen en die ik ״toch niet meer droeg" .— over een paar maanden had ik ze misschien weer wèl willen dragen — heb ik haar maar eens hier laten komen, de vrouw van dien schilder, begrijp je. Maar mijn paarse, je weet wel, die zware, dichte stof met dat kantstuk, die heb ik er maar, stilletjes weer uitgehouden —, om Otto had ik die er bijgedaan die laat ik voor Daatje vermaken, voor haar Sint-Nikolaas. Mannen als Otto zijn zoo onpractisch — je moet ze wel eens tegenwerken, in hun eigen belang, en die soort halve artisten zijn toch geen behoorlijke kleeren waard. Nu heeft ze de grijslakensche en wat ondergoed, schoenen en kousen, een oude deken, mooi genoeg. En op Daatje heb ik tenminste controle, dat ze er behoorlijk op past."
״Gerda is ook ontzettend roekeloos met weggeven," zei Mary, ״geven is góed, maar je moet het doen met verstand. Onze vroegere meid .— ze had al jaren gediend bij Hermans moeder en toen bij ons en nu is ze weduwe met acht kinderen — die mag elke maand zes gulden bij ons komen halen. Maar ik moet precies weten hoe zij die besteedt, tot den laatsten cent, en ze weet, als ze mij voorliegt of als ik iets merk van pronk of van snoep of van uitgaan —, dan is het meteen uit, en zoo nu en dan ga ik erheen, tegen etenstijd, en dan kijk ik wat ze haar kinderen geeft, bruin brood en boonen, want daar kan je die menschen bijna niet toe krijgen, ze krimpen liever de heele week voor een stukje vleesch op Zondag —, maar de mijne weet precies, waar ze aan toe is."
Het gesprek ging door —, en Ina, buiten den kring voor het raam over haar boek heen met brandende oogen den besneeuwden tuin instarend, voelde zich al killer en witter bekropen van wanhoop en zatheid. Alles dat om haar heen geschiedde bewoog, alles dat gesproken werd, de menschen en hun gedachten en geheele zijn was haar en het hare vijandig, maakte haar benauwd en beklemd, als vielen glans en waarde van het leven af, als kromp het benauwend tezamen, als werd er elke diepere zin aan ontnomen, als was alle droom van hoogheid voos en valsch. Weg was de hunker, hen te winnen om in hun samenzijn opgenomen te worden, ze voelde nu niets dan benauwden tegenzin, ze smakte haar boek dicht en legde het naast zich op tafel met een klap.
״Wat bezielt je?" vroeg Annie.
״Niets," antwoordde ze, ״maar ik ga liever naar huis. Ik 148