en vijandig naar haar kijken ? Maar ze kromp terug voor de vernedering, die ze ook bij voorbaat vruchteloos wist en ze verachtte zichzelf om haar laf verlangen, genegenheid af te vleien van menschen, die haar immers niet genegen konden zijn.
״Wat een geluk dat Erik zulke goede relaties heeft," vond Annie, ״geeft het nogal wat ? En laat het, je vrijen tijd ? En waren er veel sollicitanten?"
״Nogal wel, maar de meesten kwamen niet in aanmerking. Het ging eigenlijk alleen tusschen Nélly Keyzer en mij —, zij had ook wel eenige raadsleden op haar hand —, ze heeft het blijkbaar nogal noodig, ze moet voor een moeder en een zenuwzieke zuster zorgen, maar er waren er ten slotte toch meer, die mij wilden."
Ze zweeg even en vervolgde daarna met een kort, schamper lachje :
״Ja ׳—, en stel je nu even voor —, nu is ze boos op mij ׳—, ze komt niet meer bij me, groet me nauwelijks op straat. Is het niet innig belachelijk? Ik geloof dat ze had verwacht dat ik mij zou terugtrekken om haar. Wat een opvatting ׳—, alsof er philantropie te pas komt in zuiver-zakelijke kwesties. Als ze bij mij komt en mij vijf-en-twintig gulden vraagt, zal ik ze haar heusch niet weigeren —, maar zoo iets — het is eenvoudig belachelijk. Iedereen is toch zichzelf het aaast."
״Natuurlijk," beaamde Annie.
״Hoe komt ze op de gedachte," maakte Mary zich warm. ״Zoo dom, dat verwarren van persoonlijke en zakelijke aangelegenheden. En idioot veeleischend. Herman vertelde laatst ook iets van een jong curator, een vriend van hem, die er bij een faillissement zoo leelijk was ingeloopen, ook aldoor dat speculeeren op zijn teerhartigheid." Ze wilde vertellen, maar het dienstmeisje opende de deur en meldde bedeesd, dat de dame, die er al meer geweest was, in de vestibule wachtte. Mevrouw had haar besteld, zei ze.
״Ach, dat is waar ook," zei Annie wrevelig, half tot zichzelf, ״die protégé's van Otto altijd. Het is een.." Maar voordat ze verderen uitleg gaf, wendde ze zich tot het meisje.
„Geef die dame het pak, dat in de eetkamer klaar ligt."
Het meisje ging heen.
„Wat is er?" vroeg Mary nieuwsgierig.
„Een patiënt van Otto," zei Annie koud, schouderophalend, „altijd datzelfde sentimenteele gezeur. Als je zóó moet beginnen, zat je in minder dan geen tijd zelf op straat. Een arme schilder ׳—, een van die zoogenaamde artisten, te lui
.147