haar geweken en kon ze niets dan lijfelijke gevoelens van koude en onbehagen meer gewaargewprden.
Zoo kwam ze aan Annie's huis. En zag er, rondom den rooden haard, Annie zelf, met Mary Rutgers en Coba van 't Hoff, die na Gerda's huwelijk met Erik tot haar familie behoorde, veel met haar omging, en nu meegekomen was om Joseflne, de oude vriendin, te verwelkomen. Josefine-zelf rustte als eiken namiddag en was nog niet beneden. Ina schrok op het oogenblik van binnenkomen, ze had Coba en Mary in jaren niet gesproken, ze was van beiden in onvrede gescheiden, hun onverwachte aanblik bracht haar oude tijden, schokkende, verwarrende herinneringen te binnen —, maar in het volgend oogenblik voelde ze haar hart naar de warmte van het samenzijn gedrongen, zag ze niet meer elk afzonderlijk, doch hun gemeenschap, waarin ze zoo gretig verlangde opgenomen te worden, zonder gedachte aan oude jaren en oude oneenigheid.
Doch geen van drieën kwam haar verlangen tegemoet, stak de hand naar haar uit, noodde haar met woord of gebaar —, het was als verbaasden ze zich, dat ze nog durfde komen. En die grievende verbazing der anderen bracht onmiddellijk in haar een gevoel van beschaming te weeg, als was haar komen inderdaad brutaal en aanmatigend,
״Ik kom om Joseflne," stamelde ze, als ter verontschuldiging, ״ik moet haar iets vragen."
״Ze zal wel dadelijk komen," zei Annie stug, met een kleur om het pijnlijke én onaangename van den toestand, ״doe je goed maar even af. Je maakt den stoel heelemaal nat en vlekkerig met je mantel."
ïna's lippen beefden. Haastig, als een kind dat op kwaad is betrapt, ontdeed ze zich van haar natten mantel. Ze was liefst heengegaan, bang dat ze zou moeten schreien, maar het ging niet meer. Toen ze zooeven binnenkwam, had ze de drie om den haard in opgewekt gesprek gevonden nu zwegen ze; ze had hun samenzijn verstoord, hun genoegen verjaagd en weer voelde ze dat benauwde dringen binnen in zich, als moest ze schuld bekennen, genade vragen, allerlei kwaad weer goedmaken, tot allen prijs den vrede en het evenwicht herstellen. Maar ze bedwong zich en zweeg, en zette zich buiten den kring en nam een boek. Tot haar verluchting werd nu het gesprek rondom den haard weer opgevat en Ina begreep uit wat ze hoordé, dat Coba pas tot schoolarts was benoemd. Zou ze haar gelukwenschen •—, zou Coba dan weer goed met haar willen zijn, niet zou koud
.146