En toch —, daar zat Geerte en was op zijn hand. En de heele wereld was op zijn hand, — en beklaagde hem, den zachtzinnigen bedaarden man, om zijn wufte en fladderzieke vrouw. En hij liet het zich aanleunen. Al zei ze Geerte nog alles weer wat ze straks had gezegd, terwijl haar de tranen uit de oogen stroomden, van zijn gebrek aan aandacht, aan geestdrift en warmte, zijn koude afzijdigheid, zijn spot, kil en scherp als snijdende hagel, zijn machtsmisbruik bijwijlen —. al was Geerte zelf getuige van dat alles, dan nog zou ze het niet gelooven, althans zou ze het vergeten voor dat eene, waarop zij zich blind staarde, waarop elkeen zich blind staarde dat zij niet trouw was, een „flirt", dat ze vrienden had. Woog dat dan inderdaad het allerzwaarste—, het moest wel, als iedereen het zoo gevoelde ׳—, in den grond van haar hart voelde zij het zelf soms zoo ook, alleen in de drift van het verweer wilde ze er geen part van erkennen, dat zij tegen alle reden en behoeften in, trouw had behooren te zijn.
En nu beslopen haar al weer die oude twijfel, die de afglans van den twijfel der anderen was, en het zelfverwijt uit de verwijten der anderen getrokken en maakten haar week en wankel en woelden deernis met Egbert in haar bloot, die ze wilde, maar toch weer niét wilde, en vooral om haar trots niet kon en niet durfde uiten.
Geerte was opgestaan om heen te gaan ׳—, ze morde tegen de koude, tegen de smeltende sneeuw en het lange eind dat ze had te loopen,
„Wil je mijn overschoenen?" bood Ina aan, gretig, met een vaag verlangen iets goed te maken; — al zwaarder schuldig voelde zij zich nu.
„O, dankje, mijn schoenen zijn dicht genoeg."
„Ik moet ook uit, Egbert."
„Ga je gang."
„Kan ik nog iets zeggén tegen Josefine, zal ik haar ten eten vragen?"
„Goed —, maar liever niet deze week. Spreek maar een dag af in de volgende."
Geerte vroeg niet of Ina haar vergezellen wilde, schoon ze een eindweegs samen hadden kunnen gaan; ze vertrok na haar afscheid hartelijker dan gewoonlijk van Egbert en koeler dan gewoonlijk van Ina te hebben genomen.
Ina zelf ging nu door de vale, smeltende sneeuw in den guren wind naar het huis van haar broer —, ze dacht weinig en voelde zich geslagen, loom en dof, als waren al hare vermogens afgestompt, als was alle leven uit haar en rondom
10. C. V.
.145