spannen, vijandige stilte met vriendelijkheid willen breken, een schijn van eendrachtig en vredig samenzijn herstellen, dat ze in benepen schuldbesef alreeds erkende zelf te hebben verstoord, maar ze durfde het niet. Ze deed het al te vaak, en het had Egbert ertoe gebracht, haar grieven en klachten al te licht te tellen —, altijd door beschouwde hij haar als het lastige kind, dat vanzelf wel weer bijdraait.
״Nog een kopje koffie, Geerte?"
״Dank je —, ik moet zoometeen weg, ik heb nog twee lessen vanmiddag." Het klonk afgebeten hard.
״Ik moet ook uit, naar Otto; Josefine logeert daar en ik heb haar nog niet gesproken."
״Kan ze niet hier komen?" vroeg Egbert kalm en koel.
״Niet met dit weer."
Het sneeuwde buiten —, alweer winter. Zooveel winters al. Wat was ze rusteloos en benauwd —, wat zat Egbert daar onbewogen, Geerte vijandig en hard —, wat bleef er over van leven en geluk met de winterkoude buiten en binnen in huis de koude vijandigheid?
Het was niet draaglijk en haar schuld.
Maar waarom noemde Egbert haar den laatsten tijd altijd ״mensch" dat schampere, hatelijke woord, dat ze niet verdroeg? ״Mensch, je raaskalt,'' had hij geantwoord, toen ze hem had verweten, dat hij haar verdrukte. Maar ״raaskalde" ze dan werkelijk? Had hij dan niet indertijd gedreigd Paul van Oord te schrijven, als zij het niet deed? Had hij haar ooit een woord van opheldering en verklaring gegund, ooit anders dan in schimpscheuten nog van dat en een vorig verleden gewaagd? En met Ramondt —, het heette dat hij haar vrijgelaten had —, maar hoe ruimschoots had hij ook die ״vrijheid" in hoon en zijdelingsch verwijt teruggeïnd! Bij elke klacht, elke eisch, elke bede, dat hij iets van zijn koude onverschilligheid zou laten varen, belangstelling toonen, waardeering uiten, geen ander bescheid dan: ״je hebt nu toch een ander." En dan zij: ״maar ik wil het ook zoo graag van jou —," en dan hij „je kan wel zooveel willen", of een dergelijk onzinnig antwoord. Dan zat ze vast, dan was ze uitgepraat, dan lag elk pogen plat, wist ze niets meer te zeggen, maar was niet bevredigd. Nooit, nooit, nooit een poging van hem, een goedgewilde poging, om samen tot een waarheid of een vergelijk te komen ׳—, nooit iets dan, met buien van vage, slappe goedigheid, die eeuwige afwerende schamperheid, die geen hoogere kracht, geen hoogere behoefte dan snedige zetten scheen te kennen.
.144