״een uit velen" — en zooals hij al zijn vorige ״liefden", zal ik maar zeggen, verloochende tegenover u .— nietwaar? — zoo zal hij u verloochenen tegenover uw opvolgster, heeft dat waarschijnlijk al gedaan. Dat is geen valschheid —, hij doet het eenvoudig om zijn nieuwe liefde te vleien en haar de illusie te geven, dat ze zijn eerste is, zijn eerste ״ernstige", iedereen schijnt immers die illusie te begeeren en ik geloof eigenlijk dat hijzelf het zich zóó wijsmaakt, en het zelf zóó graag wil dat hij er ten slote zelf in gelooft en al het vorige als vale, vervelende geschiedenissen voelt,"
Het was Ina, alsof ze over zichzelf hoorde spreken. Zij immers zou ook zonder aarzelen voor den lokkenden glans van deze nieuwe teerdere vriendschap al de oude als vale, vervelende geschiedenissen verloochend hebben. En toch viel het haar niet licht zonder bitterheid datzelfde van een man te hooren.
״Ik heb daar allemaal niet aan gedacht," beleed Ina, altijd nederig ״ ,—׳ik was toen buiten en voelde mij neerslachtig, alsof mijn leven en werken geen doel meer had. Die het niet soms ook heeft, kan het zich niet denken, dat verpletterende besef van doelloosheid en zinledigheid. Van je-zelf, en van de heele wereld, het geheele heelal. Denk het je maar eens in. Doelloosheid en zinledigheid."
Ze zweeg en peinsde, kalmer dan tevoren. Ze voelde dat ze hem nader kwam,
״Hetzelfde als dat uit de meisjesjaren? Het keldergewelf en de enge muren?"
״Zoo iets —, niet in die mate afschrikwekkend, maar ook niet zoo kortstondig —, valer en voortdurender." ״En dan is ״liefde" de redding. Hield u van hem ?" ״Ik weet het niet —, maar van het oogenblik, dat ik voelde, dat hij mij zocht —, en ik zocht hem ook —, dat we elkaar zochten viel mijn neerslachtigheid van mij af ׳—, ik werd sterk, ik kon werken en vooral dit: ik zelf en hët leven hadden weer zin. Het gaf niet zoozeer ״geluk" aan mijn leven —, daarvoor waren er te veel moeilijkheden —, maar het gaf realiteit aan mijn leven, ik zou het zoo willen zeggen, dat de dingen toen —, zoo goed als nu —, met het gezicht naar mij toe stonden, en anders met den rug, maar nu het uit is en nu ik hem niet meer zie , nu denk ik niet meer aan hem. Dat is alles, verklaren kan ik het niet, goedpraten wil ik het niet."
״En zoo zal het nu altijd gaan?" zei hij weifelend. ״Dat weet ik niet —׳, ik hoop het niet en ik geloof het
.141