wilde weten wat hij tegen haar had, dat hij zijn bezoek als een afgepaste beleefdheid was komen brengen, het bezoek dat zij zelf had gevraagd en waartoe hij daarom wel verplicht was geweest. Hoe zwaar woog haar dat besef.
״Ik ga zoover met u mee," zei ze snel, plotseling vastbesloten haar hem opziend, ״ik heb toch nog een boodschap te doen."
Ze voelde dat haar oogen star blikkerden en dat haar lippen dor en gloeiend waren, haar stem had hokkend geklonken. Hij keek bevreemd, liet dan even zijn blik in haar oogen rusten en Ina zag er meer warmte dan tevoren in. Haar stemming rees wonderbaarlijk plotseling.
״Egbert," riep ze naar de andere kamer, ״luister eens, ik moet nog even een boodschap, vind-je goed dat ik zoover met dokter Ramondt meega?" Hij keerde zich om.
״Ik ?" zei hij koel, en kwam traag naar hen toe, „je hoeft mij toch niet te vragen of je een boodschap mag doen ? Ze is gewoonlijk zoo onderdanig niet!" voegde hij erbij, naar Ramondt gewend. Die lachte gedwongen, Ina kreeg een kleur, hij toonde zoo duidelijk, dat hij van haar voorwendsel niets geloofde en het bijna onmerkbare schouderophalen was haar toch niet ontgaan. Zou ze blijven ? ׳— ook tegenover Ramondt was meegaan gevaarlijk, gaf de kans hem door te groote tegemoetkomendheid af te stooten en te vervreemden —, maar als ze bleef, moest onvermijdelijk het afschuwelijk en afmattend twisten volgen. Ze voelde het, de drift lag in haar op den loer om zijn schamperheid te bespringen.
Dus ging ze. — Op straat bleven ze eeaige oogenblikken zwijgen —, toen vroeg hij ineens, onvast van toon, met iets wanhopigs, als van iemand die tot spreken wordt gedrongen en niet recht wil, en niet recht weet hoe:
„Komt u vaak bij uw schoonzuster? Kent uelkaar goed?" Ina bjeef een oogenblik stilstaan. —, in een lichten, witten duizel zag ze als uit een diepte de onvermoede waarheid van zijn gedachten en zijn iteruggehoudenheid uit de weinige bijna onnoozele woorden. Annie had over haar gesproken, had haar belasterd —, had van haar jeugdvriendje, van haar leven met Egbert, van den jongen van het feest en van Paul verteld. Annie wist alles ׳—, Otto zelf had het gezegd. Dat ze van iedereen alles wist en over iedereen kwaadsprak. Ze werd ineens bloedwarm en koud en terwijl ze met een gedwongen-luchtige stem zei:
„Ik wed, dat mijn lieve schoonzusje kwaad van mij gesproken heeft," had ze het gevoel, als hing heil en leven van haar af van zijn weerwoord. 138