Hij echter deed alleen vaag-belangstellende en zakelijke vragen naar haar kind, haar werk, haar leven —, stond op en ging naar de boekenkast, las wat titels van de planken af en vroeg vaag en blindelings naar enkele dingen, zonder veel belangstelling. In Ina begon het pijnlijk te krampen, alsof er tranen wilden komen, alsof ze voor hem wilde gaan staan, hem in de oogen kijken en bitter rekenschap vragen van zijn veranderd gedrag. Zóó was het niet uit te houden. Maar ze wist die neiging nog te bedwingen en tegenover elkaar voor het raam gezeten, het tafeltje met de thee tusschen hen beiden in, hield ze het gesprek zoo goed mogelijk gaande, met in zich een gevoel alsof daar iets warms in droge, grijze vlokken uiteen viel en verstierf.
Daar hoorde ze plotseling, ongedacht op dit uur, beneden den sleutel in het slot en Egbert de trap op komen —, het gebeurde een enkelen keer meer, dat hij zoo vroeg thuis kwam, maar ditmaal gaf het haar een schok van tegenzin en schrik, het doodde haar laatste hoop, de laatste kans op een verklaring en een nieuwe vertrouwelijkheid. Ging Ramondt zóó weg, dan was er geen reden voor haar, hem terug te vragen en voor hem was er geen, om opnieuw te komen. En wat ze gehoopt had, was verloren, haar leven als tevoren kil en vaal.
Ergbert kwam binnen, hij werd aan Ramondt voorgesteld en groette zonder de geringste poging beminnelijk of zelfs maar beleefd te zijn. Het was of hij onmiddellijk op zijn onverstoorbare plomp-zelfgenoegzame wijze den nieuwen bezoeker te kennen wilde geven, dat hij zijn vrouws vrienden maar niet zoo voetstoots accepteerde!
Ina voelde de verwaten afzijdigheid waarmee hij na een kort, droog gesprekje van jas en schoeisel ging verwisselen en daarna in de andere kamer, zichtbaar door de open deur, met den rug naar hen toe voor een tafel in papieren stond te grabbelen, en ze keek verbitterd toe, met een boos verbeten mond.
Ramondt stond op om heen te gaan, blijkbaar verlegen met den toestand, en Ina voelde aan haar eigen stemming: als ze nu thuis bleef, zouden er weer booze en bittere woorden vallen, door zijn schamper zwijgen uitgelokt, door haar drift aangejaagd, opgevuurd, en waarvan de schuld op haar alleen terug zou vallen, omdat wie zweeg immers altijd schuldeloos was. Op eenige andere manier kon Egbert toch niet hun tallooze botsingen zien. Maar zij wilde ook niet Ramondt zoo, en dan stellig voor goed laten heengaan, ze
.137