lieid —, en het kleinste kriezeltje ״wijsheid" maakt ze voor haar heele verdere leven „top-zwaar," zooals u het indertijd uitdrukte, en ongenietbaar."
Ze had nu geheel onbevangen gesproken, de zucht hem te behagen was naar den achtergrond van haar geest geweken, ze gingen zwijgend naast elkaar.
„Neen," zei ze, plotseling bewogen door een teeder-deel-nemenden blik, „neen, het is mij alles soms zoo eng, zoo klein, zoo benepen. Dan heb ik heimwee."
„Waarnaar?"
„Naar.een grootere wereld, naar wezens, tegelijk luchtiger en dieper dan het botte, lauwe, plompe meerendeel der menschen. Of misschien nog naar wat anders. Ik weet het niet. Wat ik er ook van zeg, het dekt mijn gevoel toch niet geheel en al. Maanden achtereen voel ik het soms niet en kan het mij zelfs nauwelijks voorstellen, en kan ik mij schikken, en dan ineens wordt het mij weer te machtig. Dan komt weer dat gevoel dat ik losbreken moet, ten koste van alles, maar ik weet zelf niet eens waaruit, en tot welk doel, en onverschillig met welk gevolg."
Hij wilde wat zeggen, maar ze luisterde niet, ze boog zich naar haar zoontje, dat droevig-fluisterend zich beklaagde omdat niemand aandacht voor hem had. Ze voelde een kneep van berouw, en nam hem gauw aan den anderen kant tus-schen hen beiden in.
„Nu praten we verder alleen met broertje, is het niet ? En we gaan wat met hem spelen?" Ze lachte hem vertrouwelijk toe. En het verlangen hem te bekoren en te behagen drong opnieuw al 't andere naar den achtergrond. Ze zag zijn oogen die haar toelachten, met belangstelling, deelneming, bewondering, ze voelde zijn bescheiden en zuiveren blik langs haar haren, haar handen, langs haait gestalte en ze werd er warm onder, als onder een zachte, teedere liefkoozing. En terwijl ze naast hem ging, dacht ze aan Paul van Oord en aan de eerste dagen van dit vroeger samenzijn —, en de nieuwe vertrouwelijkheid scheen boven de oude een belofte van hechtheid en duurzaamheid in te houden, de herdenking verschrompelde en verbleekte voor het heden. Wel plaagde haar de herinnering aan wat ze wist: hoe ze óók het vroegere duurzaam had gewaand, dat nu toch was weggeteerd en bijkans vergeten —, maar ze trachtte dat beschamend weten te niet te doen en als te overstemmen door de onstuimige voornemens van hechte standvastigheid voor de toekomst, zoo ze nu hem mocht winnen.
.134