bijzondere neigingen en verlangens zonder welke het niet gaat. Ze* heeft er mij wel van verteld."
„Ik ben blij, dat ik zulke hooge eischen niet stel —, in mijn klein huis en met mijn drukken jongen. Hoe heet uw beroemdheid V'
Hij noemde den naam.
„Kent u haar?"
„Wel eens hier en daar een vers heb ik van haar gelezen. Maar . . . neen, ik wil geen kwaad spreken."
„Doe het maar wèl , het brandt u op de tong."
„Och —, ik weet eigenlijk geen kwaad —. Is ze aardig?"
„Interessant —, en zich dat erg bewust. En héél „apart." Vol moderne theorieën. Een beetje „conventioneel-onconven-tioneel" zooals Shaw het uitdrukt."
„Dat zijn ze allemaal," viel Ina uit, scherper dan ze bedoelde, „en bitter weinig oorspronkelijk!"
„U houdt nog steeds niet van uw mede-dames ?" lachte hij en voegde er medisch-deftig bij, „een veel voorkomende vrouwelijke kwaal — die ik mij bij u nog van vroeger herinner." Ze kreeg een kleur.
„Als ik een man was, zou ik vrouwen, geloof ik, heel aardig vinden. Nu ik een vrouw ben niet. Ik verfoei die gladde handigheid waarmee ze zich andermans gedachten eigen maken —, en het aplomb, waarmee ze haar mannen en haar vrienden napraten. Misschien dat latere vrouwengeslachten van een beter gehalte zijn, maar voor het oogenblik en voor mijn gevoel behoort de moderne, de zoogenaamde ernstige, de „ontwikkelde" vrouw tot het onbehaaglijkste van wat de natuur oplevert."
„En de ouderwetsche!"
„Die ken ik niet," zei ze kort, schouderophalend, vaag-verdrietig als om iets hols onder de woorden, „maar als ik denk aan de vrouwen, die ik heb ontmoet —, behalve één, die ik maar oppervlakkig en vluchtig ken —, dan kan ik me geen enkele herinneren, met wie ik heb kunnen praten als een man, niet een, van wie ik ooit een oorspronkelijke gedachte heb gehoord, niet een die een grap of een anecdote aardig vertellen kon, niet een die critisch tegenover zichzelf stond —, en ik heb er nooit een, recht of verkeerd-om, met ook maar iets van onvolprezen vrouwelijke elegance vaneen tram zien stappen. Als ik een man was zou ik die stunteligheid misschien wel aardig vinden en vooral streelend door het contrast met mijn eigen voortreffelijkheid. Ze zijn of frivool en dom en onbeduidend —, of versteend in boekengeleerd-
.133